Brrrr wat is het koud

We hebben een lange dag voor de boeg. In de buurt van de Trans Kalahari Inn zitten nog wat overnachtingsplekken, maar daarna wordt het leeg. We gaan kijken of we West Nest, een campsite, kunnen halen, 150 km verderop. Mocht dat te hoog gegrepen zijn dan kunnen we altijd nog wildkamperen.

Onze eerste stop is vroeger dan gepland. Bij het vliegveld, na 20 km, zit een tankstation dat leeft van de huurauto’s die vol getankt ingeleverd moeten worden. Ze hebben ook koffie, goed om weer wat gevoel in onze vingers te krijgen. Want laat ik degenen die denken dat het altijd lekker warm is in Afrika even snel uit die droom helpen. Het thermometertje geeft 1 graad aan. We halen de plastic huishoudhandschoenen uit de verpakking. We hebben ergens gelezen dat je met die dingen aan minder koude vingers krijgt. Klinkt logisch, want ze houden de wind enigszins tegen. Voor nu een prima oplossing, maar we duikelen later onze echte winterfietshandschoenen wel weer op.

Gelukkig wordt het allengs warmer, dus de handschoenen en beenwarmers kunnen ook weer uit. Het landschap lijkt een voortzetting van de route naar Windhoek: geel gras, groene struikjes en boompjes. Af en toe horen we wat ritselen in de berm. De borden ‘let op, wrattenzwijntjes’ staan er niet voor niets.

Blijkbaar is een fietser geen veelvoorkomend verschijnsel en enger dan een leeuw. De oryx en springbokken die we langs de kant van de weg of in een weiland zien staan gaan er met gezwinde spoed vandoor. We vinden het een beetje sneu voor de oryx. Hij rent aan de wegkant van het hek en kan er niet overheen. Kilometers rent hij voor ons uit voordat hij een opening ziet.

We halen het. 150 km waar we in totaal 10 uur en een kwartier over doen. We zijn de enigen op de campsite. Iedere kampeerplek heeft een eigen douche en toilet, en wij nemen er twee in gebruik. Een als douche en toilet, en een als slaapkamer. Met de temperatuur van vanochtend nog in ons achterhoofd vinden we de ruimte prima geschikt om ons grondzeil in uit te spreiden. Dat scheelt toch weer een behoorlijk aantal graden ten opzichte van de tent.

We slapen uit, want we hoeven maar 40 km. Rond acht uur melden we ons voor een ontbijtje, met het idee rond negenen op de fiets te stappen. Dat laatste lukt wel, het eerste niet. Het ontbijt met eieren, boerewors, toast en koffie blijkt nl wat minder uitgebreid vandaag, aangezien er geen eieren en brood geleverd zijn. Wel heeft hij pasteitjes met rundvlees, maar daar hebben wij op de niet al te vroege ochtend niet zo’n trek in. We halen onze havervlokken maar weer tevoorschijn.

De veertig kilometer gaan voorspoedig. Tegen twaalven rijden we Gobabis al in, dus het voelt als een halve rustdag. Boodschappen doen voor de komende dagen, een koffie bij Wimpy, een biertje op het terras voor onze kamer en de middag is voorbij. We besluiten in het restaurant bij het hotel wat te eten. De serveerster moet even goed op de kaart kijken wat ik nu precies bestel, maar het komt helemaal goed. Op een gietijzeren plaat wordt door serveerster 1 mijn chateaubriand aan tafel gebracht, gevolgd door meneer 2 met een glaasje cognac en meneer 3 met een aansteker. Ze kijken ontzettend opgelucht als ze mijn rundvlees met succes in de hens hebben gezet. Het zou me niet verbazen als ik de eerste ben die dit gerecht ooit besteld heeft, maar hij smaakt heerlijk.

We rijden al om 7 uur weg bij het hotel, om anderhalve kilometer verderop weer te stoppen bij de Wimpy. Tijd voor warme koffie met een lekker ontbijtje. Daarna mogen we de kou weer in, maar dit keer wel goed voorbereid. Beenstukken, armstukken, blauw jasje tegen de wind, handschoenen en Wilchard heeft zelfs de buff over zijn oren getrokken. Koud hebben we het dan ook zeker niet.

Het is even wennen. Voor het eerst in lange tijd hebben we een echt vlakke route. En het waait wel, maar niet hard en van opzij. Onze gemiddelde snelheid gaat dan ook een paar kilometer per uur omhoog en het fietsen kost geen enkele moeite. Een bijkomend voordeel van vlak is dat we mooi strak achter elkaar kunnen rijden. Wilchard voorop, ik in de slipstream. Als hij demarreert fluit ik hem terug. Ondanks onze relatief late start zijn we al op tijd bij de campsite aan de grens met Botswana. We kunnen kamperen, maar ze hebben ook cabins. Een paar Namibische dollar meer dan een plekje voor de tent, maar dat hebben we graag over voor een paar graden extra. Hier kunnen we onze resterende Namibische dollars niet wisselen in Botswana pula, maar wel in Zuid-Afrikaanse rand. Die zijn wat couranter.

De grensovergang gaat supervlot. Geen visum, dus alleen wat formuliertje invullen en nieuwe stempels in het paspoort en we kunnen weer door.

Waar in Namibië de weg aan weerskanten vergezeld werd door afzettingen, verdwijnen die in Botswana voor het grootste deel. Cowboy country noemen ze dat bij de campsite aan de grens. We worden gewaarschuwd dat we voorzichtig moeten rijden omdat er beesten op de weg lopen. Vooral in het donker schijnen er weleens ongelukken te gebeuren. Op de bordjes staan herten, koeien en paarden. Die laatste twee zien we inderdaad, samen met ezels, geiten, schapen en heel veel vogels en insecten. Botswana kent naast het Engels Setswana als voertaal, en sommige bordjes kunnen we dan ook echt niet lezen. Gelukkig staat er af en toe ook een Engelse variant.

Tien kilometer na de grens vinden we al een tankstation, en de koffie met fat cake (een soort oliebol) smaken prima. En daarna fietsen we Botswana in. De afgelopen fietsdagen in het kwadraat. Voor zover je kunt kijken lage boompjes en struikjes, honderden kilometers lang. Als er al een dorpje is stelt dat drie keer niks voor, en vaak ligt het een eind van de weg af waarop wij fietsen. Die is trouwens prima van kwaliteit, en het weinige verkeer dat er rijdt geeft ons goed de ruimte.

Borden langs de kant van de weg geven goed weer hoe weinig er in dit deel van het land te vinden is. Op de eerste splitsing die we tegen komen (na 170 km) staat reclame voor een restaurant. Naar links is de eerste vestiging na 330 km te vinden, naar rechts duurt het nog wat langer want dan moet je 473 km rijden. Ook een tankstation wordt ruim vantevoren aangekondigd.

Onze eerste nacht in Botswana kamperen we. Als Wilchard vraagt of we de tent ergens beschut op kunnen zetten omdat het nogal koud is ’s nachts, komt de beheerster met een prima oplossing. Er staat een 4-persoons canvas tent, en als we zelf matjes en zo hebben mogen we die gebruiken. Een prima oplossing. Het canvas is fors dikker dan het doek van onze tent, en we kunnen hier gewoon rechtop in staan. Bij het tankstation werkt de pinautomaat niet maar kunnen we wel onze aan de grens verkregen rand wisselen en wat te drinken kopen.

Op dag twee bereiken we een groter dorp, Ghanzi. Net voor de bebouwde kom slaan we linksaf. Hier ligt een overnachtingsplek waar je ook Bosjesmannen kunt ontmoeten, jagers-verzamelaars die vroeger een seminomadisch bestaan leidden. Dit zijn de oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika, maar zij hebben hun oorspronkelijke manier van leven achter zich gelaten. Het is echter nog niet zo lang geleden dat ze in hun bestaan voorzagen door te jagen. In Botswana was dat waar later het Centrale Kalahari Wildpark in het leven werd geroepen, specifiek om de Bosjesmannen en het wild waarop ze jaagden te beschermen. Helaas is dit ook de plek waar in de jaren tachtig diamanten werden ontdekt. De Bosjesmannen werden door de overheid uit het park verdreven en mogen nog steeds niet terugkeren, alhoewel ze al verschillende rechtszaken hebben aangespannen en gewonnen. De kennis over hun manier van jagen en leven is er nog, en om in hun bestaan te voorzien delen ze die op een aantal plekken met toeristen. Wilchard krijgt te zien hoe ze jagen, pijp roken, vuur maken en geneeskrachtige wortels zoeken. Samen met tien Chinezen, die afgeladen met tijgerbalsem naar zuidelijk Afrika gekomen zijn. Dat laatste blijkt uit de fooi die ze geven. Een enkeling geeft cash, maar de meesten kleine potjes tijgerbalsem. Mijn eerste reactie was ‘wat hebben ze daar nou aan’, maar volgens Wilchard leken ze er blijer mee dan met het geld.

De weg erheen lijkt trouwens aan het begin ok, maar de laatste 4 km bestaat uit los zand, te diep om te fietsen. Fietsen duwen is sowieso al niet onze hobby, maar al helemaal niet na 110 km fietsen en met volle bepakking. We zijn dan ook blij wanneer we er zijn. We zijn er een uur voordat Wilchard de Bosjesmannen kan ontmoeten. Normaal zijn ze er ook in de ochtend, maar nu is het, je raadt het al, te koud.

Een voordeel van zo’n lange dag fietsen en duwen is wel dat we allebei uitmuntend slapen. En de volgende ochtend beginnen we dan ook vol goede moed aan de 12 km naar Ghanzi, het dorp net na de campsite. We volgen een andere route, maar deze blijkt nauwelijks beter. Iets minder ver duwen, maar wel gevolgd door uitermate slechte gravel. Het gestuiter is teveel voor het ophangsysteem van Wilchards voortas, dat half loslaat. Gelukkig is er bij het tankstation een behulpzame Namibiër die een halve ijzerhandel en gereedschap bij zich heeft, dus de schade is snel hersteld.

Op de stoep naast het tankstation staat een groep overlanders bij elkaar. Al snel blijkt waarom: gratis Wi-Fi. In de grote supermarkt is het rustig, maar uitgezonderd brood kan ik ook hier alles vinden. Er is wel een broodafdeling, maar het lijkt erop dat die gesloten is omdat het zondag is. Opeens klinkt het snoeihard door de supermarkt ‘Kom, we gaan ergens anders heen, hier hebben ze niks’. Ik kijk om me heen. Volle schappen. Wel met minder keuze dan we tot nu toe gezien hebben, maar meer dan genoeg. Zo’n momentje waarop je je schaamt voor je landgenoten. Verder doen we weer eens lekker niks op onze rustdag.

Ook de dag erna doen we rustig aan. Met 70 vlakke kilometers noordwaarts in het vooruitzicht en een voorspelde oostenwind kunnen we mooi wachten tot de kou uit de lucht is. We halen het ook makkelijk, zelfs met een oostenwind die regelmatig uit het noorden komt. Om half twee draaien we weg van het asfalt. 500 meter gravel en anderhalve kilometer duwen verder komen we bij de campsite. We waren voorbereid op 2 km los zand, dus het valt mee. We hebben de campsite voor onszelf en mogen onze matjes weer uitrollen in de ruimte bij de douches en toiletten. De vorige keer paste dat maar net, nu hebben we een zee van ruimte. De geiser wordt aangestoken voor een warme douche, we koken ons potje pasta en duiken op tijd de slaapzak in. Volgens de eigenaresse wordt het ten noorden van Maun wat minder koud, dus we zijn supergemotiveerd om verder te fietsen.

Als we wakker worden blijkt het zelfs nu al minder koud te zijn. Alle warme kleren mogen nog steeds aan, maar het voelt anders. Wat ook anders voelt is de wind. Die heeft namelijk besloten dat het wel wat harder mag. Dat zou prima zijn bij een zuidenwind, maar je raadt het al, het is onze vriend de oostenwind uit het noorden. Niet zo’n goede timing, want we hebben vandaag 126 km voor de boeg. Ach, je doet er niets aan, dus vol goede moed trappen we de eerste kilometers weg.

Gelukkig neemt de wind af en rijden we tegen half vijf Sehithwa in. Bij Monlek Lodge kun je tegen een redelijke prijs een kamer krijgen, maar niet vandaag. Fully booked. En ons tentje opzetten kan ook niet want de kamer die ze normaal gesproken gebruiken als douche en toilet voor de kampeerders is ook vergeven. Daar sta je dan. De volgende overnachtingsplek is niet meer haalbaar. Zal het dan toch wildkamperen worden? Dat wordt het inderdaad, maar niet heel erg wild. We mogen onze tent opzetten op de parkeerplaats van de politiepost en gebruik maken van hun toilet.

We slapen allebei geweldig goed, en dat komt goed uit want we krijgen een kleine 100 km voor onze kiezen. Weer met sterke tegenwind die na een uurtje of twee afneemt. Dit deel van de route is iets dichter bevolkt. Naast medeverkeersdeelnemers, vee en heel veel lage boompjes en struikjes zien we vandaag twee dorpjes en her en der iemand die tussen de bosjes uit gelopen komt, op weg naar de bebouwde kom.

Maun, waar we eindigen, is de toegangspoort voor de Okavango delta en heeft daarmee een grote keus aan overnachtingsplekken en veel voorzieningen. Je ziet wel nog duidelijk de dorpse oorsprong: tussen alle winkels en verharde straten door zijn er nog veel onverharde weggetjes met aan weerszijden stukjes grond met daarop een klein huisje, soms traditioneel rond maar vaker rechthoekig.

We vinden een prima hotelletje dichtbij supermarkten en de markt, en op loopafstand van wat westerse koffietentjes. We slapen zeker niet minder goed dan in onze tent, maar het is allemaal net wat gemakkelijker.

De sfeer in Botswana is anders dan die in Zuid-Afrika en Namibië. Gemoedelijker, minder hard. Het leven lijkt zich hier wat meer buiten af te spelen. We zien weer kraampjes, markten en busstations. Er wordt uitbundig gelachen en er klinkt Afrikaanse muziek.

7 thoughts on “Brrrr wat is het koud

  1. Wat een mooie foto’s! En de verhalen zijn zo levendig dat ik het lees als een heerlijk boek.
    Die kou herinner ik me van ZA in november.
    Wij zitten hier met 9 graden en de kachel aan in onze cabin. Maar landschap is prachtig!

  2. Fantastisch om door de Kalahari te fietsen. Jullie hebben wel het koudste seizoen uitgekozen voor de tocht en dan kan het aardig koud zijn en hard waaien. Naar het noorden toe wordt het wat minder koud alhoewel het op grotere hoogten en verder van de kust nog aardig koud kan zijn. Zelfs in Eldoret, Kenya, dat net boven de evenaar ligt kan het vriezen in de nacht. Zo op meer plaatsen. Terwijl het dan in lager gelegen gebieden en aan de kust juist de fijnste temperatuur van het jaar is.
    Geniet van jullie tocht!

  3. Dat het daar koud kan zijn daar hebben wij hier geen idee van, maar jullie zijn overal op voorbereid! Wat heeft Wilchard weer prachtige portretten geschoten! Alweer genoten van de blog!!! Sjiek!!

  4. Kan niet wachten om er met Tes naar toe te gaan. Mooie foto’s weer hoor. By the way, ik lees alle verhalen, maar slaap er wat onrustiger door ? Groetjes van Tes en Gerald

  5. Moest ff lachen om die reactie van die mensen in de supermarkt. Tis maar net wat je referentiekader is. Maar met ui, tomaat, een of ander blikje en een ei kom je meestal al heel ver. Zet hem op hè! Gaan jullie ook nog naar de zoutvlaktes? Ik vond Kubu eiland zo’n bijzondere plek. Maar geen idee of dat op de fiets bereikbaar is.

Comments are closed.