Nog veel meer van die beste vrienden uit het vorige bericht

In Aswan doen we drie dagen lekker rustig aan. We bezoeken geen tempel, maken geen boottochtjes met een felucca en gaan niet naar de botanische tuin op Kitchener Island. In plaats daarvan eten we weer eens wat anders dan ful en falafel, drinken we westerse koffie en veel fruitsapjes, lopen we over de markt en kletsen we her en der met wat kids. En met Arthur, een Belgische fietser die op weg is naar Kaapstad en in Aswan wacht tot het veer naar Wadi Halfa vertrekt. Erg relaxed, en erg luxe vergeleken met Soedan. Dat blijkt ook uit de Italiaanse voetbalshirtjes van Ronaldo, in alle voorgaande landen zagen we alleen zijn shirt van Real Madrid.

Na drie dagen fietsen we dan toch verder. De eerste dag volgen we de hoofdweg aan de oostkant van de Nijl. Dit is opeens andere koek dan woestijn. We passeren meer dan genoeg plaatsjes en kunnen goed zien dat we in de buurt van de Nijl fietsen: er wordt druk gelandbouwd, hier in Egypte doen ze net wat meer aan irrigatie dan in Soedan. Zowel de plaatsjes als de landbouw hebben als bijkomend voordeel dat we minder last hebben van de wind omdat die geen vrij spel meer heeft. We schieten dan ook goed op, en rijden aan het begin van de middag Edfu al binnen.

Edfu ken ik alleen van de tussenstop. In mijn tijd als reisleidster stopte de bus hier voor de tempel en na een uur vertrokken we weer. Het blijkt ook een enorm leuk stadje te zijn. Niet al te toeristisch omdat nog steeds niemand verder komt dan die tussenstop. Dus zolang je uit de buurt van de tempel blijft en weg van de cruiseschip-tempelroute is het een fijn stadje.

We hebben het er zelfs even over een dagje te blijven, tot we beseffen dat het morgen vrijdag is en het leven dan waarschijnlijk nóg trager op gang komt dan op de overige dagen van de week. Want dat is wel even wennen, hier in Egypte, voor negenen is het stil op straat.

We fietsen dus toch maar door, dit keer aan de westkant van de Nijl. De route is supermooi en gaat dwars door de landbouwvelden. Ook vandaag weer genoeg plaatsjes waar we wat te eten / drinken kunnen krijgen, en, belangrijker, ook veel aanspraak. Bij iedere theestop wil er wel even iemand babbelen, en iedere tweede berijder van een ezel, ezelskar, brommer of Chinees vrachtwagentje heet ons welkom. Bij de politiepost die we passeren beantwoorden we met een vriendelijke glimlach de obligate ‘hoe heet je’ en ‘waar kom je vandaan’, en we mogen weer door. Nog steeds geen politie escorte, dat is een meevaller.

Dertig kilometer vóór Luxor wordt er opeens naar ons geroepen. Deze keer valt het extra op, want er roept iemand mijn naam. Als ik omkijk blijkt het Ahmed te zijn, van wie we een lift gekregen hadden naar Aswan. Hij en zijn familie blijken 300 meter verderop te wonen, en nu we hier toch zijn moeten we natuurlijk kennis komen maken. En mee lunchen. Ahmed is nog niet getrouwd, en in Egypte betekent dat dat je nog thuis woont. De precieze samenstelling van de familie is ons nog steeds niet helemaal duidelijk, maar hij woont er met zijn ouders, wat broers en zussen, wat aangetrouwde familie en wat kinderen van in ieder geval één zus. Wij moeten met iedereen kennis maken. De vrouwen des huizes zijn druk bezig in de keuken, maar mams komt er regelmatig even bijzitten. Zijn jongste broer spreekt een ietsie-pietsie Engels, net genoeg om wat dingen duidelijk te maken als we het over tweedehands Caterpillars hebben en wat die in Nederland kosten. En Wilchard en ik leren weer wat, want ze zijn goedkoper dan we dachten (en duurder dan Ahmed en zijn vader dachten).

Na wat geklets wordt er een grote schaal met mouloukhiyya (soort spinaziesoep), aardappelen in tomatensaus, een tomaten/komkommersalade, rijst, brood en gebraden kip naar binnen gebracht. Het smaakt allemaal heerlijk, maar we krijgen het gevoel dat het gezin al gegeten heeft en dat dit speciaal voor ons klaar is gemaakt. Ze laten het ons niet voelen, verre van, maar alleen Ahmed en zijn oudste broer eten mee, en dan ook nog eens niet al te veel. Gelukkig hebben we in Aswan nougat gekocht en nog niet alles opgegeten, zodat we dit als toetje mooi uit kunnen delen.

Na het eten en een bezoekje aan hun suikerrietveld fietsen we in twee uur de laatste kilometers naar Luxor. Het ‘welcome’ houdt pas een kilometer of twee voordat we de stad binnen rijden op.

We nemen onze intrek in een backpackershotel. Begane grond en de fietsen kunnen weer op de kamer. In Luxor blijven we weer even, zodat ik voor de 24e keer naar Karnak kan en Wilchard die geweldige tempel ook van dichtbij kan aangeschouwen.

Maar eerst Luxor Museum. Dat werd tijdens één van mijn laatste reizen geopend en ik herinner het me als een fraai museum waar alle stukken mooi zijn uitgelicht. En dat blijkt nog steeds zo te zijn. Wat ik me niet herinner is de gillende schooljeugd die in een noodgang het museum doorgeleid wordt. Het gros komt waarschijnlijk van het platteland, want buitenlanders vinden ze maar wat interessant. De suppoosten hebben echter drie opdrachten meegekregen aan het begin van de dag. (1) controleer dat er alleen gefotografeerd wordt met fototicket (2) grijp met bijzonder luide stem in als het geschreeuw de 80 decibel overschrijdt (3) zorg ervoor dat er NIET met de toeristen gepraat wordt. Al met al is het een amusante bedoening.

Terug op de kamer horen we op de gang opeens gepraat over politie escortes. Het blijken twee Zwitserse fietsers te zijn, op weg naar Kaapstad. En ietsje later komt er nog een fietser aangereden. De Italiaanse Luca rijdt op zijn in Alexandrië gekochte Egyptische tweedehandsje tot Addis Abeba. Omdat we allemaal toch nog even in Luxor zijn, spreken we af voor de volgende dag.

Die beginnen we bij Karnak tempel. Hoe vaak je er ook geweest bent, het blijft indrukwekkend. En dan is het nog maar een fractie van wat het ooit was. Een Egyptenaar in de tijd van de farao’s moet zich heel klein gevoeld hebben als hij op audiëntie kwam….

Om te voorkomen dat we tempelmoe worden slaan we Luxor tempel over, die bekijken we alleen vanachter een kopje koffie van de buitenkant. Ik neem trouwens geen koffie maar sahleb en om ali, twee typisch Egyptische lekkernijen.

We besluiten de dag op het dakterras van ons hotel met de drie fietsers en nog een Zwitsers stel dat in een overlandtruck zuidwaarts rijdt. We wisselen informatie en ervaringen uit en het is een gezellige avond.

De volgende ochtend fietsen we tegen achten naar de westoever. Onderweg drinken we een kopje thee. Ik stem vantevoren de prijs af. Dat doe ik in Egypte altijd. Enerzijds om te voorkomen dat we meer geld kwijt zijn dan nodig, anderzijds krijg je ook echt een andere relatie met iemand als die je als meer ziet dan alleen een pot met geld. En dat ik dat in het Arabisch vraag en ook nog een beetje meer kan babbelen helpt natuurlijk ook. Zo overhoor ik onze buurman, die na ons binnen gekomen is, tegen de theetenthouder zeggen dat die ons vijf pond moet vragen. Waarop de theetenthouder zegt dat we de Egyptische prijs al hebben afgesproken, en dat ik Arabisch spreek. Onze buurman keert zich naar ons toe. Hij blijkt een winkel in Hurghada te hebben waar hij drie van de vier weken is. Iedere vierde week brengt hij door bij zijn gezin. En verder hebben we het niet meer over toerisme. Wel over de prijzen die enorm gestegen zijn sinds al-Sisi aan de macht is. Zo is een pakje Cleopatra, het lokale sigarettenmerk, drie keer zo duur als vier jaar geleden. Als je bedenkt hoeveel hier gerookt wordt kost dat de rokers gezamenlijk een klein vermogen. En dat extra geld gaat in ieder geval niet naar de anti-rookcampagnes, want die zijn er niet. Ik meld tussen neus en lippen door dat stoppen met roken dan een gemakkelijke besparing oplevert, maar daar kan natuurlijk geen sprake van zijn. Voordat hij kritiek levert kijkt hij trouwens eerst even goed om zich heen. Je weet nooit wie er meeluistert.

We rijden verder op de westoever. Hier vind je verschillende tempels en graven van koningen, koninginnen en nobelen. We slaan de tempels over en kiezen een selectie graven. Eerst die van de Koningen. Die zijn groots en blijven indrukwekkend. Ze zijn tevens het meest druk bezocht, en al die zwetende toeristen laten hun sporen achter. De schilderingen worden er niet helderder op. Bij wijze van experiment hebben ze nu het graf van Toetanchamon nagebouwd met behulp van nieuwe technieken. Niet van echt te onderscheiden. Ze willen kijken of ze hiermee de bezoekerslast van het echte graf kunnen verminderen. Wij besluiten de replica te bezoeken in plaats van het echte werk en kunnen concluderen dat, als dit een representatieve dag is, het experiment is geslaagd. Tenminste, in zoverre het uit moet wijzen of mensen zo’n replica interessant genoeg vinden. In ieder geval niet als het origineel om de hoek ligt. Dan betalen mensen blijkbaar toch liever vier keer zoveel. Het is inderdaad niet van echt te onderscheiden, maar wij zijn de enige bezoekers. Vergeleken met verschillende andere koningsgraven stelt dat van Toet trouwens niet veel voor.

We sluiten af met de graven die ik zelf het interessantst vind, die van de nobelen. Ze zijn lang zo groot niet als die van de koningen, maar de tekeningen en kleuren zijn in verschillende graven nog heel fris en amper beschadigd. En in plaats van koninklijke en goddelijke taferelen, zie je hier veel meer beeltenissen uit het dagelijks leven.

We fietsen weer terug en de volgende ochtend stappen we om zes uur weer op de fiets. Dit keer met bagage, want we zetten onze reis noordwaarts voort. Op advies van de andere fietsers volgen we niet de doorgaande weg maar kleine binnendoorweggetjes. Zo zouden we meer kans maken om de politieposten te ontwijken en daarmee de politiebegeleiding te voorkomen. Dit klopt precies 15 km. Dan komen ons twee politiewagens tegemoet, waarvan er één omdraait. Wat we van plan zijn? We antwoorden dat we over rustige weggetjes met niet al te veel verkeer naar Qena willen fietsen. Ik laat hem de geplande route zien. Even lijkt het er nog op dat we door mogen fietsen, maar naarmate hij de route verder ziet klinkt er steeds meer nononono. En dat is meteen het einde van de escortloze dinsdag. We worden naar een politiepost op de grote weg geleid, waar we thee aangeboden krijgen. Dat gaat als volgt.

Degene met wie we staan te praten tegen een collega: “Mohammad, heb jij nog een kopje in je auto? Ja? Haal dat dan eens even.” En tegen een andere collega: “Ahmed, zet eens even water op, we hebben gasten!”

We wachten. En wachten. De befaamde Egyptische 5 minuten duren twee uur, waarin de twee-sterren-chef druk aan het bellen is. Uiteindelijk komt er een auto aan en kunnen we weg. Hij blijft netjes een stukje achter ons rijden. Als we vragen of we thee kunnen drinken in een theehuis is het antwoord nee. Naar eigen zeggen omdat het water daar niet zuiver is, maar meer waarschijnlijk is dat ze ons dan minder goed kunnen controleren. Die escortes zijn uiteindelijk alleen maar indek-acties. Natuurlijk is er een kans dat er iets gebeurt, die is overal ter wereld. Maar de Egyptische regering wil in ieder geval kunnen zeggen dat ze er alles aan doen om problemen te voorkomen. En de individuele agenten willen vooral niet dat er iets gebeurt als we onder hun bewaking vallen, want dan krijgen ze de volledige politietop over zich heen. Wij leggen ons er gewoon bij neer. Er zijn fietsers die zich druk en kwaad maken, maar daar heb je alleen jezelf mee. Uiteindelijk doen de volgers ook alleen maar hun werk.

In plaats van bij een theehuis stoppen we bij de volgende politiepost. Daar krijgt iemand de opdracht thee te gaan maken. En zo gaat het ook bij de begeleidingswissel, waar we weer een glas thee krijgen overhandigd. Uiteindelijk zit er maar één nadeel aan die escortes: dat we niet kunnen stopen wanneer we willen om thee te drinken of wat dan ook. We zijn aangewezen op de politieposten. Daar staat tegenover dat de agenten allemaal aardig zijn, in ieder geval tegen ons, en graag willen kletsen. Foto’s van ze maken mag ook, zolang we ze maar niet op Facebook zetten. Wij trekken dat wat breder en zetten ze ook maar niet op de blog.

We mogen ook gewoon, in tegenstelling tot wat we van anderen horen, gewoon de route volgen die we willen fietsen. Josh, de Amerikaan die een paar dagen voor ons rijdt, werd helemaal omgeleid over de oostelijke weg door de woestijn. En Luca, één van de drie fietsers in Luxor, heeft op dezelfde route die wij rijden hele delen zelfstandig gereden, maar ook hele stukken niet mogen fietsen en de fiets achter in een begeleidingsauto moeten plaatsen.

De laatste paar kilometer, Qena in, krijgen we een motormuis mee. Die regelmatig sirene en zwaailicht aanzet als mensen niet snel genoeg naar zijn zin aan de kant gaan. Hij heeft er zichtbaar plezier in. Voordat we de stad in reden werd me gevraagd naar welk hotel we wilden gaan. Ik heb hen maar gewoon naar een goed hotel in de buurt van het station gevraagd. Dan zit je meestal centraal en is er een behoorlijke keus, zodat je altijd nog ergens anders heen kunt mocht het hotel fietstechnisch tegen vallen.

Het hotel van hun keus is inderdaad niet handig voor de fietsen, maar een paar deuren verderop hebben ze nog een pand met een lift waar de fietsen in passen, dus dat is snel geregeld. Terwijl ik buiten zit te wachten staart een jongetje van een jaar of vijf, dat met zijn moeder op de bus staat te wachten, me met open mond aan. Als ik hem in het Arabisch vraag hoe het met hem gaat, kijkt hij zijn moeder aan, die hem aanmoedigt iets terug te zeggen. Nadat ik heb gehoord dat het goed met hem gaat, stelt hij ademloos de vraag die hem al een tijdje bezig houdt. Kom ik uit het buitenland? Als ik hem vertel dat we uit Nederland komen, krijg ik een sinaasappel. Hij wil me eerst een wortel geven, die vindt hij waarschijnlijk het lekkerst want daar zit hij zelf op te knabbelen, maar zijn moeder vindt een sinaasappel meer geschikt.

Qena blijkt een leuk stadje. De ingang naar de markt ligt aan de overkant van de weg, dus einde middag lopen we tussen de groenten en het fruit. Je kunt meteen merken dat dit geen toeristenstad. Iedereen wil op de foto, de hemahuisfotograaf is er niks bij. In het restaurantje waar we gaan eten halen ze opgelucht adem als ik Arabisch blijk te kunnen lezen, want een Engelse kaart hebben ze niet.

De volgende ochtend stappen we weer op de fiets. We steken de Nijl over om aan de westkant verder te fietsen. We verwachten bij de eerste politiepost tegengehouden te worden en te moeten wachten op een begeleidende auto, maar niemand legt ons een strobreed in de weg. De eerste vijftig kilometer rijden we lekker met zijn tweetjes over het Egyptische platteland, maar dan moeten we toch weer wachten. Het lijkt erop dat we steeds bij het eerste begeleidingspunt aangemeld worden, want daar moeten we iedere keer wachten op een auto die ons komt begeleiden, daarna staan ze bij de districtsgrenzen, waar we van begeleiding wisselen, steeds klaar. Soms is het een gewone auto, iets minder vaak een motor, maar meestal een pick-up met overdekte bak. Één van de eerste vragen die ons gesteld wordt is dan ook of we de fietsen, bagage en onszelf misschien in de achterbak willen plaatsen. Dan worden we niet moe, is de gedachte, en, belangrijker, dan gaat het wat sneller. Zo’n politieauto die met 20 km per uur over een weg rijdt waar hij 90 mag is natuurlijk niet leuk en minder veilig. Dit laatste vinden wij wel belangrijk maar zij niet zo gezien hoe ze hun auto parkeren als we even stoppen om wat te drinken: gewoon stil staan midden op hun weghelft. De rest van het verkeer reageert trouwens alsof er iedere dag zo’n zondagsrijder op de weg zit, wat waarschijnlijk ook het geval is.

Ook vandaag krijgen we kort een motorrijder mee. We hadden een auto, maar als ons een politiemotor tegemoet komt vindt die het wel leuk om even mee te rijden. Hij heeft trouwens een puik plan om het transport sneller te laten verlopen. We kunnen aan weerskanten van hem rijden en dan ieder een van zijn armen vastgrijpen. Lijkt ons een iets minder puik plan, dus we trappen zelf door. Als hij ons later op de dag nog een keer inhaalt meldt hij even dat hij in de tussentijd een lekker dutje heeft gedaan.

Bij een van de politieposten staat ons een journalist op te wachten. Met als resultaat een interview, een artikel in zijn krant en een selfie met ons op zijn eigen facebookpagina. Voor degenen die Arabisch kunnen lezen: William is dus Wilchard, dat is wat makkelijker uit te spreken en wat bekender. Dat er gewoon Wendy staat is trouwens een godswonder, meestal verbasteren ze dat tot Mandy of Bendy.

En natuurlijk de video:

Op de 100 km moeten we een keus maken. Ofwel naar Abydos, waar voor zover wij weten alleen duurdere accommodatie zit, of nog 50 km door. We kijken op ons horloge. Het is half één en we zijn nog niet moe, dus we besluiten door te rijden naar Sohag en daar morgen een rustdag te pakken. Mocht het niet snel genoeg gaan (om 17.15 uur is het donker en je weet nooit hoe snel die wisseling van de wacht gaat en hoeveel we er nog krijgen) dan kunnen we altijd nog op hun aanbod ingaan en ons hebben en houden achterin de volgauto plaatsen.

Tegen half vijf stoppen we bij ons hotel (zelfde aanpak werkt ook nu, ze kennen wel een ok hotel bij het station). We eten en drinken bij, en weten nu ook dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn op zo’n begeleide fietsdag. Stoppen om iets te eten of drinken is prima, maar theehuizen of restaurantjes niet. Als we nog even rondlopen zien we al dat we ons hier op onze rustdag prima gaan vermaken. Het is een beetje Qena, maar groter.

De volgende ochtend mogen we uitslapen. Wilchard loopt tegen achten al een keer naar het theehuis op de hoek, ik draai me nog even om. Hij mocht bijna niet gaan. De receptionist kreeg een rolberoerte toen Wilchard de deur uit liep, ging meteen bellen en stuurde in de tussentijd iemand achter hem aan. Als hij net terug is op onze kamer wordt er op de deur geklopt. Twee politie agenten. Wat onze plannen zijn voor vandaag. Als blijkt dat we hier alleen wat rond willen lopen over de markt is dat geen enkel probleem, maar er gaat wel voortdurend iemand met ons mee. Eid, 41 jaar en niet moeders magerste, is een aardige vent. Bijkomend voordeel is dat hij het verkeer tegenhoudt als we over willen steken. Eigenlijk is het niet anders dan anders, behalve dan dat iemand me nu roept als ik te ver vooruit dreig te lopen. En dat gebeurt regelmatig, want fotograferen is ook hier bij de meesten geen probleem. Ik ben wel benieuwd wat voor opmerkingen ik allemaal gemist heb, want zodra mensen onderling beginnen te praten roept Eid meteen dat ik Arabisch spreek.

Ook als we ’s avonds de deur uit gaan om nog even wat te eten, te drinken en rond te lopen wordt er een politieagent opgetrommeld. Saber gedraagt zich meer als een vvv-gids dan als een agent. En herhaalt tegen iedereen die het maar horen wil dat ik vind dat Egyptenaren geweldig zijn, maar ook geweldig slechte chauffeurs. Ook tegen iedereen die het niet horen wil trouwens, want bijna niemand is het met me eens.

De volgende ochtend staat onze begeleiding alweer om zes uur klaar. We hoeven een stuk minder ver, maar 100 km, maar vertrekken toch vroeg omdat we nooit weten hoeveel tijd we kwijt zijn met de overdracht op de checkpoints. Daar hadden we geen rekening mee hoeven houden, blijkt. Het lijkt wel een estafette, waar wij het stokje zijn. Één keer drinken we thee, verder is het doorrijden met af en toe een stop om een slok te drinken. Gelukkig is de wind flink afgenomen dus lukt dat prima. Rond half één rijden we Assioet al binnen. Waar we een uur kwijt zijn met het zoeken naar een hotel. Het eerste vinden we te duur, bij het tweede hebben ze geen buitenlandersvergunning, bij nummer drie moet de fiets buiten op de stoep en vier, vijf en zes zijn vol. Uiteindelijk komen we bij de buren van nummer twee terecht. Het had minder lang geduurd als ze, toen we eerder voor de deur stonden, naar mij geluisterd hadden, maar ze waren er volledig van overtuigd dat dit hotel ook geen vergunning had. Tja, dan heb je die inmiddels chagrijnige bui aan jezelf te danken. Hier mogen we wel zelfstandig de straat op. Wel krijgen we, als we ’s avonds wat gaan eten, te horen dat we niet te ver weg mogen gaan. Waarop we braaf ja en amen knikken. Het is maar goed dat er ’s middags niemand bij de receptie zat, want toen zijn we de halve stad doorgelopen naar de Mac …

Om trouwens meteen even het eventueel ontstane beeld van ons eetpatroon in Egypte bij te stellen: we hebben twee keer bij de Mac gegeten, beide keren zijn in deze blog vermeld. In zijn algemeenheid smullen we van Egyptisch fastfood. Broodjes falafel, baba ghanoush, moussaka, witte kaas met tomaat en broodjes shoarma, regelmatig afgewisseld met koshary, een mix van verschillende pastasoorten, kikkererwten, linzen en gebakken uitjes vergezeld van een tomatensaus (en soms een bakje chilisaus dat we ver van ons vandaan schuiven).