Met Wendy naar Shendi

Met de vorige blog dacht ik Kenia af te sluiten, maar er blijkt toch nog wat te melden. Terwijl we voor de laatste keer naar ons vaste koffietentje lopen, word ik opeens duizelig en begin extreem veel te zweten. Ik voel me zo beroerd, dat we besluiten maar even naar een ziekenhuis te gaan. De verwachtingen voor Soedan mogen dan hooggespannen zijn, die voor de Soedanese ziekenhuizen zijn dat zeker niet, dus we nemen het zekere voor het onzekere en maken nog maar even gebruik van de voorzieningen in Nairobi. Klaarblijkelijk kun je goed zien dat ik me beroerd voel, want in het ziekenhuis word ik meteen naar een bed gedirigeerd, er worden vragen gesteld en bloed afgenomen en ik word aan de monitor gelegd. Erg efficiënt allemaal, ik ben onder de indruk. Maar dan blijkt dat we niet in Nederland zijn. Zonder betaling vooraf gebeurt er niets. Dus mijn bloed kan dan wel afgenomen zijn, maar de analyses beginnen pas zodra er geld van eigenaar gewisseld is. Normaal zou dit niet zo’n probleem zijn, het gaat niet om een enorm bedrag, maar omdat dit onze laatste dag in Kenia is hebben we amper nog Keniaanse shillingen op zak. Gelukkig heeft Wilchard wel zijn bankpas bij de hand, maar die wordt door de banken in de buurt van het ziekenhuis niet geaccepteerd. Op en neer naar het hotel met een übertje dan maar. Het verkeer staat muurvast, dus uiteindelijk zit er tussen bloedafname en start analyses ruim twee uur. Nog even wat vers bloed prikken, en dan is het wachten op de uitslag. Die wijst uit dat ik een bacteriële infectie heb, dus met een doosje antibiotica verlaat weer een tevreden klant het pand.

We twijfelden aan het begin van de middag nog of we Soedan misschien nog uit moesten stellen, maar ik voel me inmiddels weer prima en er is een aanwijsbare oorzaak, dus de volgende ochtend melden we ons om 5 uur op het vliegveld. Daar blijkt dat zelfs over de transportprijs voor onze fietsen onderhandeld kan worden. Wilchard krijgt nog $25 afgepraat van de op de website vermelde prijs. Als er betaald is, zegt de grondsteward met een brede lach “next time I give you bigger discount”. We vliegen noordwaarts, Soedan voorbij, want we vliegen met Egypt Air, veruit de goedkoopste aanbieder voor deze route. Het is onbewolkt en in de diepte kunnen we Khartoum, de Nijl en de weg waarover we over een paar dagen zullen fietsen goed zien liggen. Na een paar uur op Caïro Airport vliegen we terug zuidwaarts. Tenminste, een half uurtje. Dan meldt de piloot dat we om moeten keren vanwege technische problemen. De vrouw die naast Wilchard zit haalt haar gebedssnoer, dat ze net heeft opgeborgen, weer tevoorschijn en begint te prevelen. Haar buurvrouw volgt haar voorbeeld. Verder is het doodstil in het vliegtuig totdat we weer keurig landen op Caïro Airport. Gelukkig is dat ook de thuisbasis van Egypt Air, dus ze kunnen relatief snel een extra vliegtuig en nieuwe bemanning regelen.

Zo landen we uiteindelijk een uurtje of vier later dan gepland in Khartoum. We hebben onze visa geregeld via Moez, die bij een reisagentschap werkt. Hij heeft geappt dat hij ons op het vliegveld zal ontmoeten zodat hij ons kan helpen met de visaprocedure. Gelukkig is die niet al te spannend, want Moez is er niet. We laten het printje zien dat Moez ons gestuurd heeft, betalen $100 pp en krijgen een sticker en drie stempels in ieder paspoort. De bagage gaat ook redelijk snel, ware het niet dat er geen aparte procedure is voor extra grote bagage. De fietsen komen gewoon op de band. Ook de rest van de bagage volgt snel, en we kunnen op weg naar de volgende horde, een taxi vinden die plek heeft voor ons, onze fietsen en onze bagage.

In Nairobi hadden we een gloedjenieuwe 7-zitter waar de achterste stoelen konden worden weggeklapt. Hier hebben we binnen 2 minuten een mannetje dat zegt voldoende plek te hebben. Hij leidt ons naar een vooroorlogs geel monster, waar onze tassen in en fietsen op kunnen, en weg zijn we. Met wat horten en stoten. Letterlijk, want hij had de auto bovenaan een hellinkje geparkeerd zodat hij hem al rijdend op kan starten. Poging vier is succesvol. Met als extra feature dat Wilchards deur open valt. En niet meer dicht wil. Chauffeur stapt uit (de motor blijft natuurlijk draaien) en probeert het vanaf de buitenkant. Blijkbaar is hij bang dat zijn deur niet tegen Wilchards kracht is opgewassen. Ook hier is poging vier succesvol. Met ronkende motor kruisen we de Nijl en rijden we Khartoum uit en Omdurman in.

Khartoum is loeiduur, dus ik heb een alternatief gevonden in de wijk waar sowieso alle bezienswaardigheden liggen die wij het bezien waard vinden. En ik zeg wijk omdat het samen met Khartoum één grote bebouwde kom vormt, maar het is eigenlijk een andere stad. Het hotel heeft gelukkig nog plek, en zo hebben we voor €10 een prima kamer. Of eigenlijk, een woonkamer, twee slaapkamers en een badkamer, dus genoeg plek om onze fietsen een dezer dagen in elkaar te zetten.

Wilchard is zoals gewoonlijk al op tijd wakker, met als gevolg dat de fietsen al gemonteerd zijn tegen de tijd dat ik ook mijn ogen open doe. Ze hebben de vlucht beide goed doorstaan. We lopen meteen richting markt. Het is de grootste markt van Soedan en hij ligt 500 meter verderop. Voordat we er zijn zijn we al 40 keer welkom geheten en drie keer uitgenodigd voor thee. Op de plek waar we uiteindelijk gaan zitten, mogen we ook niet afrekenen en betaalt een andere klant voor ons. We zijn echt weer in een andere wereld beland, en het voelt goed.

Wilchard zoekt een stofje uit en laat zijn maten opmeten bij een kleermaker. Hij trekt lokale kleding over zijn fietskleding aan. In Pakistan heeft hij jaren geleden ook zo’n combi aangehad en dat beviel goed. Bovendien fietsen we hier voortdurend in de zon, dus wat extra bescherming op armen en benen kan geen kwaad. Ik heb mijn kleding ook aangepast. Onder mijn blouse gaat een dun truitje met lange mouwen en zoals in alle islamitische landen ruil ik mijn korte broek in voor een lange broek. Klaar is Wendy.

We wandelen de markt op, en die is inderdaad enorm. Mijn Arabisch levert vaak in eerste instantie verbazing op, maar daarna volgt steevast de vraag ‘minween’. Waarvandaan. En iedereen kent Nederland, maar nu niet van het voetbal maar van de aardappelen en melk. Robin van Persie is wel een goede derde.

We drinken weer lekker verse sapjes, en worden voor de verandering uitgenodigd op de thee in een theehuis. Waar ik schakel tussen Arabisch (voor degenen die alleen Arabisch kennen), Engels (voor degenen die hun Engels willen oefenen) en Duits (voor die ene meneer die overgelukkig is dat hij zijn Duits weer kan opfrissen). We maken nieuwe facebookvriendjes en zullen iedere dag dat we in Omdurman zijn bij dit theehuis terug komen. De eigenaar van het theehuis ziet ons als goede marketing: het is aanzienlijk drukker wanneer we vertrekken dan wanneer we binnen komen. Terug op de hotelkamer heb ik al een van de gemaakte selfies toegemessengerd gekregen.

De moderne techniek zie je, naast Facebook, ook op andere manieren terug in de theehuizen van Omdurman. Mens-erger-je-niet wordt hier niet gespeeld op een speelbord, maar op een strategisch neergelegd mobieltje.

En ook Wilchard amuseert zich prima. Met zijn paar woordjes Arabisch breekt hij het ijs, en terwijl ik voor de zoveelste keer uitleg waar ik Arabisch geleerd heb is hij lekker aan het fotograferen.

Degenen die trouwens denken ‘Soedan, is het daar geen oorlog’ kunnen we geruststellen. Het antwoord is namelijk nee. Zuid-Soedan (in 2011 afgesplitst, dus een ander land) is niet veilig, Soedan (het noorden dus) wel. Sterker nog, volgens de Lonely Planet is het het veiligste land van Afrika (wat dat dan ook moge zeggen). Dat wil niet zeggen dat meneer Bashir, de president, nu zo’n lieverdje is, want dat is hij allerminst, maar onveilig stamt uit het verleden. Uit de tijd dat het noorden en zuiden van Soedan in oorlog waren. Uit de tijd dat Osama Bin Laden hier in de woestijn een trainingskamp had. Uit de tijd dat Bashir bevriend was met Khadaffi. In die tijd zijn er ook sancties ingesteld. Die zijn vorig jaar afgeschaft, maar dat is nog niet te merken. Van die sancties merken wij als toerist eigenlijk maar op één moment wat, en dat is als we geld nodig hebben. Buitenlandse pinpassen en creditcards zijn hier waardeloos, enkel cash werkt. Dus dat betekent lekker ouderwets vantevoren inschatten hoeveel geld je nodig hebt en zorgen dat je genoeg euro’s maar liever nog dollars bij je hebt. En dat is nog redelijk lastig, want er is weinig informatie te vinden over prijzen in Soedan, en met de huidige inflatie is de info die je vindt meestal achterhaald. Om jullie een idee te geven, in februari kreeg je voor een dollar nog 30 Soedanese ponden, nu krijg je er 47.

Sowieso is Soedan voor ons in Afrika het meest bureaucratische land. Niet alleen het visum is lastig (iedere ambassade lijkt andere documenten en bedragen te vragen), maar ook moet je binnen 3 dagen na binnenkomst registreren, wat het hotel gelukkig voor ons afhandelt. Toegevoegde waarde anders dan financieel (want het is natuurlijk niet gratis): nul. Gelukkig is de reis-en fotografiepermit in april afgeschaft. Moez verwoordt het als volgt: In Sudan is de bureaucratie dramatisch maar de mensen geweldig, in Egypte valt de bureaucratie mee maar zijn de mensen dramatisch. Hij heeft duidelijk nog nooit iets officieels hoeven regelen in Egypte.

Dag twee begint rustig. Het is vrijdag, en er is niet al te veel te doen. Tenminste, als je niet in de buurt van de vismarkt bent. Op de markt zelf is het druk, maar er zijn nog meer mensen in de restaurants eromheen, waar in enorme pannen vis gefrituurd wordt. Een beetje zoals in Nederland de visboer op de markt op zaterdag, maar dan anders.

Verder komt het leven pas op gang na het vrijdagsgebed. Op de markt lijkt het bijna alsof de commerciële activiteiten de ochtend goed moeten maken, zo druk is het. En wij, wij moeten een keuze maken. Nubisch worstelen of soefi-dansen. Beide vinden één keer per week plaats, op vrijdag aan het eind van de middag. Aangezien het Nubisch worstelen inmiddels in westerse kledij plaatsvindt, kiezen we voor het soefi-dansen. We lopen de vijf kilometer naar de tombe van Hamed el-Nil. Als we in de buurt komen zien we al snel waar we moeten zijn. Het is er druk! En dan vooral met Soedanezen. In totaal zijn er een westerling of 40, en dat zijn dan zo’n beetje ook alle toeristen die vandaag in Khartoum of Omdurman zijn. Die westerlingen zijn ook weer een aantrekkingspleister voor de jonge Soedanezen die hun Engels willen oefenen. Zoveel kansen krijgen ze immers niet. Iedere khawaaga (zoals een Mzungu hier heet) krijgt minimaal dezelfde drie vragen voorgeschoteld: waar kom je vandaan, ben je hier voor werk of toerisme en wat vind je van Soedan. Als we aankomen zijn de soefi’s nog niet gearriveerd, maar is het wel al druk bij de tombe. Er wordt gebeden en er staat een groepje mannen te zingen. De sfeer is uiterst gemoedelijk. Tegen half vijf arriveert een vrachtwagen met trommels en soefi’s in de laadbak. Iedereen wordt naar de rand van een grote cirkel gedirigeerd, de soefi’s verzamelen zich binnen de cirkel. Er wordt getrommeld en gezongen. De soefi’s sluiten hun ogen en beginnen te dansen. Mannen uit het publiek zingen mee en enkelen sluiten zich aan bij de dansers. Kleine jongetjes staan langs de rand en apen de volwassenen na. Tegen de tijd dat de zon onder gaat is het feest nog in volle gang en nemen wij een riksja terug naar het hotel.

In de ochtend nemen we weer een riksja. Nu naar de buitenwijken van Omdurman, waar een kamelen/ezel/schapenmarkt gehouden wordt.

Ik heb vantevoren aan een van mijn nieuwe facebookvriendjes gevraagd wat een goede tijd is om erheen te gaan. En op het gesuggereerde tijdstip, 8 uur, draaien we de markt op. In blogs uitten andere toeristen hun teleurstelling over het gebrek aan activiteit. Die hadden vast geen facebookvriendjes, want het is enorm druk. Weinig kamelen, maar meer mensen, ezels en vooral schapen.

Langs de rand wisselen de theehuisjes elkaar af, en in de buurt zijn winkeltjes, kappers en nog meer theehuizen. Dat komt goed uit, want Wilchards scheerschuim is op, dus vanaf nu tot kerst is het iedere paar dagen laten scheren bij de kapper. Deze heeft trouwens een bijzonder vaste hand, want hij houdt het scheermesje gewoon los in zijn hand.

De middag besteden we aan geld wisselen en boodschappen doen voor onderweg. Tomaten, bananen, dadels, pinda’s, snoepjes, water en brood. Een bakker is hier gemakkelijk te herkennen, ook als je het uithangbord niet kunt lezen. Er staat namelijk altijd een lange rij. De bakker begint gewoon met bakken en houdt na een tijdje op. Als je geluk hebt heeft hij nog brood als jij aan de beurt bent, als je pech hebt, zoals Wilchard, heeft hij net de laatste broodjes verkocht en mag je ergens anders achteraan aansluiten. Gelukkig krijgt Wilchard nog drie broodjes mee, dat scheelt weer wachten. Genoeg voor ontbijt, de rest halen we onderweg wel.

En zo rijden we bepakt en bezakt weg uit Omdurman. De eerste 40 km rijden we nog in Omdurman of door dorpjes, daarna wordt het leger. We zien wel nog regelmatig een dorpje, maar meestal zonder voorzieningen. Wel staat er altijd een afdakje met daaronder waterkruiken. In de meeste Arabische landen, en al helemaal in landen met woestijn, weten ze hoe belangrijk water is. Wij hebben flessen water bij ons, maar ook een waterfilter zodat we, in geval van nood, altijd water kunnen filteren.

Shendi, de eerste volgende plaats met hotel, ligt een kleine 200 km verderop. Te ver om in één dag te halen, al helemaal met de noordenwind die onze voortgang een deel van de dag vertraagt en 15 km onverhard vanwege wegwerkzaamheden.

Tegen vieren beginnen we om ons heen te kijken naar een goede plek om onze tent op te zetten. Er zijn genoeg heuveltjes waar we hem achter kunnen zetten, maar we kiezen voor een viaduct over een droge rivierbedding. Niet alleen staan we onder het viaduct volledig uit het zicht, maar ook hoeven we onze fietsen nu niet al te ver door los zand te rijden.

De volgende dag hebben we gelukkig nog genoeg water bij ons, want het is weer fors warm en plekken om drinken te kopen zijn er pas de laatste 10 km. Wel kunnen we op een paar plekken thee krijgen. Daar rusten we meteen maar wat langer uit, en kletsen we wat met de eigenaren.

In Shendi aangekomen vinden we een plek waar ze appartementen verhuren, dus we hebben een enorme slaapkamer, zitkamer, badkamer en keuken. Met twee koelkasten waarvan er één het doet. We vermoeden dat de schoonmaakster zich een tijd geleden heeft ziekgemeld en dat ze nog geen nieuwe hebben gevonden, maar het is lekker koel en rustig.

Het fietsen is redelijk zwaar. Niet vanwege heuvels of bergen, maar door de wind en vooral de hitte. We besluiten dan ook een extra dag in Shendi te blijven, alvorens door te fietsen. In de ochtend gaan we op zoek naar ontbijt. Hét ontbijt, of beter gezegd dé maaltijd in Soedan is ful, favabonen, al dan niet een beetje fijngeprakt, met olie. Ik vind het prima, maar aan Wilchard is het niet besteed. In het eerste restaurant doen ze alleen aan gefrituurde vis, maar om half negen in de ochtend hebben we daar nog geen trek in. Nummer twee heeft gelukkig wel ontbijt en doet ook aan gebakken eieren. De twee borden vlees die ze nog aan ons proberen te slijten slaan we af. Thee drinken we bij een van de vele theestalletjes langs de kant van de weg. Een man komt ons trots een foto laten zien die hij van ons gemaakt heeft. Hij is duidelijk in zijn nopjes. Terwijl hij wegloopt rekent hij onze thee af, maar hij had niet gezien dat we ieder twee kopjes hebben gehad. De theemevrouw heeft het wel in de gaten, en voordat we kunnen ingrijpen heeft hij ook de andere twee kopjes betaald.

In alle vroegte rijden we Shendi uit. Het wordt al snel heet en de wind is het eerste uur na zonsopkomst niet zo sterk, dus dan kunnen we meters maken. Vandaag is dat niet heel erg nodig, want er staan maar 50 km op het programma, maar zo vroeg fietst het fijner dan bij 35 graden met wind tegen.

Eerder fietsten we aan de westkant van de Nijl, de komende twee dagen volgen we een van de drukste wegen van Soedan, die tussen Khartoum en Port Sudan. Er rijden vooral veel vrachtwagens en bussen. Nieuwe, maar ook oude Bedfords. Sowieso is het wagenpark hier het oudste dat we waar dan ook hebben gezien. Mocht je je afvragen wat er met de Datsun Cherry uit je jeugd gebeurd is, de kans is groot dat hij hier nog rondrijdt.

Het is niet eens zo heel druk en extreem hard rijdt het allemaal niet, maar als er een cluster vrachtwagens langskomt moet je soms toch even van de niet al te brede weg. Bovendien zorgen die ook voor een zuigende wind waardoor je de macht over je fiets even kwijt bent. Al met al rijdt het de meeste tijd prima en is het af en toe vloeken. Een voordeel is wel dat er door de grotere hoeveelheid verkeer meer voorzieningen zijn. Minimaal om de 10 km is er een cafetaria, waar we thee en fris kunnen krijgen of wat te eten.

Na drie theestops zit de geplande dagafstand er rond half elf bijna op. In de verte kunnen we onze bestemming al zien liggen. De toppen van de piramides van Meroë steken boven het zand uit. Als we aankomen zijn er nog twee groepjes andere toeristen, maar die zijn al snel weg. De piramides zijn dan wel niet zo groot als die in Egypte, maar er zijn er heel wat meer en je loopt er in je eentje. Bij de ingang zijn een paar Soedanezen die souvenirs verkopen of met wie je een kamelenrit kunt maken, maar ze laten ons al snel met rust als duidelijk is dat we niets willen kopen en onze fietsen verkiezen boven een kameel. Al met al is het vooral heel bijzonder dat we hier zo tussen de oudheden door kunnen dwalen.

We hadden gepland om ons tentje naast de piramides op te zetten, maar het is nog vroeg en dus kloppen we het zand uit onze sandalen en rijden we nog 20 km verder. Zo hoeven we morgen ietsje minder ver, want de wind die voor Shendi na elven beduidend minder werd weet nu van geen ophouden. Bij ieder cafetaria stoppen we om wat te drinken, en als we om vier uur bij een groter cafetaria belanden besluiten we daar te overnachten. Deze plekken dubbelen hier namelijk als een soort hotel. Op de bedjes waar je overdag op zit of hangt kun je ook prima liggen, en wij volgen het voorbeeld van de chauffeurs. Behalve dan dat we ze in een donker hoekje zetten zodat we een gevoel van privacy hebben. In diezelfde hoek ligt ook de uienvoorraad, en zodra het donker wordt horen we daar allerhande geritsel.

Uiteindelijk slapen we amper maar rusten we wel uit. Om er de volgende ochtend achter te komen dat de wind nu niet bepaald is gaan liggen.

Gelukkig is het wel wat minder heet, maar we zijn blij als we negen uur later Atbara binnen fietsen. Die tegenwind en de concentratie die we nodig hebben vanwege onze medeweggebruikers maakten het een zware dag. Gelukkig gaat het verkeer naar Port Soedan hier naar rechts en slaan wij af naar links, dus vanaf nu zou het een stuk relaxter fietsen moeten zijn.

11 thoughts on “Met Wendy naar Shendi

  1. Wat een heerlijk verhaal en prachtige foto’s weer. Grappig ook dat je snapt wat er in NL wordt gedacht “Soedan? Waarom?!”, maar als ik dan de foto’s zie van al die prachtige mensen in minstens 50 tinten bruin, dat ze graag willen delen zowel in communicatie als in thee, dan snap ik het helemaal. Ik wens jullie voor de komende tijd weinig wind en nog meer mooie ontmoetingen. En Wendy, ik ben ook heel benieuwd hoe jij aan je kennis van het Arabisch komt.

Comments are closed.