Van eiland naar eiland

We gaan Pangkor af zoals we erop gekomen zijn. Dus weer die steile hellinkjes, die vanaf deze kant iets minder steil omhoog gaan, en opnieuw het veer. Dit keer hebben we het iets minder goed gepland, want we moeten 30 minuten wachten. Er is echter genoeg te zien: bootjes, mensen, al dan niet met brommer, die ook met de boot mee willen en een koelkast die ook mee moet, waarschijnlijk omdat de koelkastmonteur op het vasteland woont.

Het is een kort fietsdagje naar Pantai Remis, met onderweg een bochtje om naar een schildpaddenopvangcentrum. Hier hebben ze vast veel informatie over schildpadden maar het is allemaal in het Maleis. Gelukkig hebben ze ook echte schildpadden. Drie bassins met volwassenen, en 6 bakken met kleuters en peuters. Afgaand op de aantallen in die 6 bakken zitten zijn er nog schildpadden genoeg. De grote leatherbacks zijn indrukwekkend. Met hun prehistorische koppen lijkt het alsof ze in slow motion door het water glijden. Ik word er enorm rustig van en ben stiekem een beetje jaloers. Het is bloedheet vandaag, en zo’n zwembad lijkt me ook wel wat.

’s Nachts regent het, waardoor het de volgende ochtend wat koeler maar ook benauwder is. We fietsen naar Kuala Sepetang, waar we een mangrovebos en een houtskoolfabriek kunnen bezoeken.

Onderweg zie ik opeens een gebouwtje staan dat verdacht veel lijkt op de foto’s van de houtskoolfabriek, en het blijkt er ook een te zijn.

In twee houten loodsen staan een stuk of tien grote lemen ovens. Het ruikt overal extreem naar open haard, en in de straaltjes zonlicht die door de kieren in het dak naar binnen vallen kun je de rook zien opstijgen. In een aantal ovens wordt hout verbrand. In twee ovens die uit staan kun je lopen. Alhoewel er geen vuur meer brandt is het er bloedheet. Een oude vrouw zit op de grond en sorteert resten houtskool. Een oude man prepareert de ovens voor een nieuwe lading hout. Smerig, en door de lucht ongezond werk. 

We rijden deels over kleine weggetjes door palmolieplantages verder.

In Kuala Sepetang zit een heel setje houtskoolfabrieken bij elkaar. Hier worden, over de rivier, boomstammen van 30 jaar oude mangrovebomen aangeleverd. Ze zeggen dat voor iedere gevelde boom een jong boompje wordt teruggeplant, maar dat kunnen wij niet controleren. De boomstammen worden van hun schors ontdaan en de stammen worden rechtop in de oven geplaatst. Ze staan op stenen, zodat de hete lucht goed kan circuleren. In de opening van de oven wordt een vuurtje gestookt, zodanig dat de temperatuur in de oven oploopt tot 85 graden. Dat blijft zo’n 10 dagen zo, daarna wordt de temperatuur gedurende 12 dagen opgehoogd tot 220 graden. Uiteindelijk wordt de oven dichtgemetseld en kan hij in een week afkoelen. Het aantal dagen kan trouwens afwijken, chef houtskool kan aan de kleur van de rook zien of het tijd is de temperatuur te verhogen of het vuur te doven. Ik had verwacht dat het hout ook echt zou branden, maar ze verhitten het alleen zodat al het vocht wordt verwijderd. Van de 40-50 ton hout die de oven aan het begin van het proces is ingegaan is uiteindelijk zo’n 10 ton houtskool over.

In de fabriekjes werken trouwens redelijk wat Pakistani. Ook hieraan kun je zien dat de gemiddelde levensstandaard in Maleisië niet laag is. 

We vinden een homestay aan de rivier, en vanaf het terras hebben we uitzicht op het komen en gaan van tientallen vissersbootjes. Aangezien hier genoeg te beleven is en we Kuala Sepetang een leuk plaatsje vinden blijven we een extra dag. 

We denken ’s ochtends slim te zijn en kopen 1/2 brood in een winkeltje. In een restaurantje willen we vragen om een eitje voor ons te bakken, maar bijna alle restaurantjes zijn Chinees en als we om telur goreng vragen worden we aangekeken alsof we gek zijn. Gelukkig vinden we een plek waar de gebakken eieren al klaar liggen. Ze snappen er niks van dat wij er geen rijst of kipnuggets (!) bij willen hebben, maar we krijgen onze eitjes wel mee. Ik vind het heel leuk om in zo’n Chinees restaurant te ontbijten: lekker mensen kijken, want het is er druk.

In het gebied waar de mangrovebomen voor de houtskool gerooid worden, ligt ook een beschermd natuurgebied. Door het mangrovebos zijn loopplanken aangelegd. Het is eb als we het bos bezoeken, en tussen de boomwortels kun je garnalen, krabbetjes en slijkspringers zien rondscharrelen.

We lopen nog wat door het dorp en de houtskoolfabrieken en als het begint te regenen zoeken we het terras bij de homestay op, dat een overkapping heeft. Ik zit dit dan ook te typen met uitzicht op de rivier, waar bootjes af en aan varen en af en toe een zeearend overvliegt. Geweldig.

In twee dagen fietsen we naar Penang, het volgende eiland. De eerste dag gaat weer over relatief kleine wegen. Maar eerst stoppen we net buiten Kuala Sepetang om te ontbijten. We hebben nog wat brood, en een paar eieren zijn snel gebakken bij dit theetentje. 

Hier hebben ze trouwens nog geluk. Het heeft fors geregend gistermiddag en vannacht, waardoor de waterstand zodanig hoog is dat een aantal wegen onder water staat. Bij de buren van ons theetentje staat de kok met de voeten in het water.

Onze route leidt ons de stad uit, een palmolieplantage in.

Al snel draaien we om. Ook hier is het pad een ondiepe beek geworden, dus we proberen een ander weggetje. Daarmee hebben we geluk, want we komen nu langs een Indiase tempel waar een ceremonie aan de gang is. Hoe fraai een heilige plek ook is, hij is altijd boeiender om te bezoeken als er mensen aanwezig zijn, zoals hier.

Om onbekende redenen heb ik ‘Mexico’ van de Zangeres Zonder Naam in mijn hoofd. Het wil er niet uit, dus met gitaarmuziek die door de Mexicaanse nacht klinkt op de achtergrond rijden we tussen de palmoliepalmen naar de kust.

Via smalle weggetjes door kleine kampungs (dorpen) en langs zee, belanden we in een heuse file. Achteruit rijden is niet een van de verworvenheden van de gemiddelde Maleisische chauffeur, en dat moet hij hier wel als hij weg wil. Er is een viswedstrijd aan de gang, dus het is druk en iedereen heeft besloten met de auto of brommer te komen. Hierdoor is de enige route terug dezelfde weg die je gekomen bent, en door de drukte is er geen plek om te keren. Met de fiets kunnen we gelukkig overal gewoon tussendoor.

En dat brengt me op het rijgedrag van de Maleisiërs. De Nederlandse campagne tegen op de linkerbaan rijden is hier goed aangeslagen. Iedereen rijdt liefst zover mogelijk naar rechts. Nu rijden ze hier aan de linkerkant van de weg, dus wij hebben meestal zeeën van ruimte als we gewoon netjes links rijden. Daarbij hebben veel doorgaande wegen een ruime vluchtstrook en blijven vrachtwagens en bussen netjes achter ons rijden als ze niet voorbij kunnen om daarna met een wijde bocht om ons heen te rijden. Prima dus, en we reiken iedere dag wel een virtuele prijs uit voor de chauffeur die het netst rijdt. Naast achteruit rijden is er nog één ding dat de Maleisische chauffeur niet kan, en dat is invoegen. Doorgaande wegen hebben bij een zijweg vaak een uit- en invoegstrook. In plaats van die invoegstrook te gebruiken en zover mogelijk af te rijden, gebruikt de Maleisische chauffeur maar een meter of 6. Als hij dan nog niet ingevoegd is, blijft hij staan om later vanuit stilstand de weg op te rijden. Niet echt een probleem voor ons, behalve dan dat je meestal ingesteld bent op een invoegende auto, ook na die 6 meter, en dat het dan vreemd is als er niets aan je linkerkant voorbij komt. Op blogs van andere fietsers wordt her en der wat minder positief bericht over het Maleisische rijgedrag, maar al met al zijn we goed te spreken over het verkeer hier.  

We overnachten in een Chinees hotel bij een groepje winkels en een paar restaurantjes. De fietsen kunnen bij de buurman achter slot en grendel, en we betalen netjes onze 50 ringgit borg voor de kamer. We zeggen dat we de volgende ochtend rond 7 uur weg willen, en zowel de receptioniste als de buurman geven aan dat dit geen probleem is. Wij zijn benieuwd.

Je raadt het al, de volgende ochtend is er niemand bij de receptie en zit de deur van de buren nog veilig op slot. We hoeven vandaag niet ver, dus we besluiten te kijken of het restaurantje aan de andere kant, dat wel al open is, wat eitjes wil bakken. Tot onze vreugde zit daar de buurman, niet alleen met de sleutel, maar ook met onze 50 ringgit borg. Super! We pakken de fietsen en ontbijten alsnog in hetzelfde restaurantje, maar in de wetenschap dat we daarna meteen weg kunnen.

De tweede dag begint over wat rustigere wegen. Hier stoppen we ook nog even bij een Chinese tempel die we vanuit de verte zien liggen. Helaas is hier niet veel te doen, waardoor we al snel weer verder fietsen.

De rest van de dag rijden we om de grote bebouwde kom die op het vasteland bij Penang ligt heen. Het zijn niet de fraaiste wegen, maar de drukte valt enigszins mee. Penang is met het vasteland verbonden met een tweetal bruggen, maar die zijn verboden voor fietsers. Aan het aantal brommertjes bij het veer te zien mogen zij er wellicht ook niet op. Het veer is van een andere orde dan waar we tot nu toe steeds mee overgestoken zijn. Het is een flinke boot met twee verdiepingen, waar ook auto’s op kunnen. En dus heel veel brommertjes en twee fietsers. Aan het plafond hangen bakken met zwemvesten. Als je aan een hendel trekt gaat een luik open en vallen 35 zwemvesten voor volwassenen en 10 zwemvesten voor kinderen naar beneden. We tellen het aantal bakken en zijn gerustgesteld: er zijn er meer dan voldoende.

De regenwolken die boven Penang hangen trekken gelukkig weg, waardoor de brug en de hoogbouw aan de kust zichtbaar worden. Is dit nou het fraaie Georgetown waar iedere reisgids laaiend enthousiast over is? Gelukkig buigt de ferry iets af en komen we bij een deel van de stad uit dat grotendeels uit laagbouw bestaat.

Maar dat gaan we de volgende dag pas ontdekken. Vandaag moeten we zorgen dat we de papieren voor ons Thaise visum op orde krijgen, aangezien Thailand zijn visumregels recent heeft gewijzigd. Aan een landsgrens krijg je nog maar een visum voor 15 dagen dat je in Thailand met een week kunt verlengen. Op de fiets krijgen we de afstand tot Mae Sot, waar we de grens met Myanmar willen oversteken, echter nooit in drie weken afgelegd. Een visum regelen in Penang schijnt heel eenvoudig te zijn, maar kost toch redelijk wat tijd. Daarom besluiten we om het te laten regelen door een visumbureautje. We hadden op internet al gezocht en gevonden, maar eenmaal in Georgetown aangekomen kan ieder reisbureau je wel helpen.

Het in orde maken van de papieren is niet al te spannend maar kost nog wat tijd door de enorm trage verbinding in het internetcafé. In de tussentijd, en heel veel sneller, heeft Wilchard de versnellingen op mijn fiets hersteld. Laat de bergen maar weer komen!

’s Avonds eten we bij Red Garden Food Paradise, een food court in de buurt. Hier zijn heel veel verschillende stalletjes waar je je eten kunt bestellen. Je geeft je bestelling en het tafelnummer door bij het stalletje van je keus, gaat zitten en bestelt wat te drinken. Na verloop van tijd wordt je bestelling dan gebracht. We eten allebei superlekker (mie met bbq varken voor Wilchard en mie soep met bbq eend voor mij) en ik snoep nog even van wat gestoomde dim sum. Als toetje hebben we wafels met ijs, en we besluiten morgen terug te komen. Het was gezellig en in onze rondtocht langs de stalletjes hebben we meer dan genoeg gezien dat ons ook wel lekker lijkt.

In Penang zijn weer behoorlijk wat westerse toeristen, en daarmee ook westerse ontbijtjes. Er is weinig beters om Wilchard zijn verjaardag mee te beginnen dan yoghurt met appel en crumble en een goeie bak koffie.

Georgetown kent, net als Malakka en Ipoh, weer een Little India. Waar dat in die twee plaatsen een of twee straten waren, is het hier een redelijke wijk. Hij is ook gemakkelijk te herkennen omdat de voorbereidingen voor Diwali aan de gang zijn en er overal kraampjes staan.

Ook de rest van het oude centrum is zeer de moeite waard. Veel mooie gebouwen, behoorlijk wat leven en een mooie afwisseling van Chinees, Maleis en Indiaas. Aan de kust is nog een oud vissersdorpje dat gerenoveerd en vercommercialiseerd is, maar dat wel een mooie tegenstelling tussen oud en nieuw laat zien.

Hier kunnen we ook goed zien waar de street art uit Ipoh op geïnspireerd is. Ook hier weer mooie kunstwerken, waarvan een deel gebruik maakt van echte voorwerpen. En ook hier lenen ze zich heel goed voor foto’s.

Na al die inspanning gaan we op zoek naar verjaardagstaart, en die vinden we in China House. Dit zijn drie oude Chinese huizen die in elkaars verlengde liggen en waar ze één gebouw van hebben gemaakt. Het is gerestaureerd en doet nu dienst als een soort kunstcentrum. Heel mooi gedaan. Er zit ook een café in dat iedere dag een lange tafel vol laadt met taarten, er staan er wel 50. Het is nog lastig genoeg om een keuze te maken.

De rest van de dag besteden we aan boodschappen. Wilchards sandalen hebben hun beste tijd wel gehad, en hier staat een winkelcentrum dat hetzelfde merk verkoopt. Onderweg bezoeken we nog een Birmese en een Thaise tempel. Dan weet je ook weer meteen waar de uitspraak ‘al dat goud dat er blinkt’ vandaan komt.

Tegen de tijd dat het donker wordt lopen we weer richting foodcourt. Wilchard eet pho bo, een Vietnamese noedelsoep, en ik verwen mezelf met onder andere een enorme tijgergarnaal en een sint jacobsschelp. Mjummie.

Onze tweede dag in Georgetown neem ik deel aan een kookworkshop van Pearly, het brein achter www.penanghomecookingschool.com. We zijn met 7 leerlingen en maken drie gerechten. Ik was de eerste die boekte, dus aan mij de keuze, en het werden beef rendang, kip kapitan en een viscurry op basis van tamarinde met okra, aubergine en tomaat. Na een bezoek aan de markt krijgen we ieder een kookplaat met twee pitten en mogen we aan de slag. Iedereen maakt alle drie de gerechten in een éénpersoonsportie. Erg fijn, want zo weet je niet alleen hoe ze smaken maar ook hoe je ze moet klaarmaken. Bij sommige workshops op reis maak je maar een deel van de gerechten of is er al wat voorbereid, maar hier kunnen we alles vanaf nul maken. Ik heb weer wat handige dingetjes geleerd en voor het eerst in mijn leven okra klaargemaakt. Na het koken lunchen we met onze zelf klaargemaakte maaltijden, en dan is de workshop alweer voorbij.

Wilchard fietst op mijn kookdagje het eiland rond. Dat is nog redelijk pittig aangezien het een km of 80 is die net niet helemaal vlak lopen. Er zit zelfs een stuk van een paar kilometer in met gemiddeld 12%.

Aan het einde van de dag kunnen we ons Thaise visum ophalen. We hebben tot 9 januari om Thailand binnen te rijden. We zijn dan wel op de fiets en gaan daarmee langzamer, maar dat zou gemakkelijk moeten lukken. Over een dag of vier verwachten we de grens over te steken.

12 thoughts on “Van eiland naar eiland

  1. Hmm, beef rendang! Heel handig om zelf te kunnen maken! En Wilchard, alsnog van harte met je verjaardag! En we hopen dat de taart lekker was! Liefs,

  2. Nog gefeliciteerd Wilchard! En wat een feest om dat te vieren in Maleisië met al dat heerlijke eten!

Comments are closed.