Beestjes, allemaal beestjes om ons heen

We besluiten even aan te kijken of we twee of drie nachten bij het park blijven en boeken het hotel voor twee nachten. Mochten we langer willen blijven, dan is een nachtje zo bijgeboekt.

De eerste dag willen we op de fiets het park verkennen. Dat betekent dat we op de openbare wegen blijven en niet officieel Queen Elizabeth NP in gaan, maar we hebben al gemerkt dat dat geen belemmering hoeft te zijn om wild te zien. In de ochtend blijkt, dat de nijlpaarden van de vorige avond niet zijn verdwenen. Sterker nog, ze zijn in aantal toegenomen. Het eerste deel van de ochtend brengen we dan ook door in de buurt van het hotel. Nijlpaarden zijn gevaarlijk. Het zijn herbivoren, maar als ze jonkies hebben kunnen ze aanvallen. Toen we gisteren het dorp in reden was er net een begrafenis aan de gang. Het wankele bootje van twee vissers was te dicht bij een nijlpaard gekomen, en een van de twee vissers heeft het niet overleefd. Ook buffels en krokodillen schijnen af en toe een slachtoffer op te eisen, maar de nijlpaarden zijn het gevaarlijkst. Dat belet de kinderen en vrouwen van het dorp, die water moeten halen uit de rivier, niet om akelig dicht bij die beesten in de buurt te komen.

Op de oever tussen de verschillende nijlpaardenaanlegplekken is iedere ochtend een vismarkt. De vangst wordt met smalle bootjes aan land gebracht en ter plekke schoongemaakt. Ondanks het feit dat dit toch een van de meest bezochte toeristische plekken van Oeganda is, zijn de kinderen nog niet helemaal gewend aan die vreemde witneuzen. Terwijl twee vierjarigen Wilchard met open mond nakijken, ga ik achter ze staan en zeg ‘hello’. Het is nog net geen huilen, maar het scheelt niet veel.

Ietsje verderop aan het water staat een schoolklas bij elkaar. Veertig pubers krijgen de wondere wereld van het onder water ademen uitgelegd aan de hand van een net gevangen vis. Biologie is nog nooit zo leuk geweest.

Het is vandaag fors benauwd en het ziet eruit alsof het ieder moment kan gaan regenen, dus in plaats van op de fiets gaan we er te voet op uit. Aan de overkant van het kanaal liggen wat safarilodges, en daar lopen we heen. Ook vandaag zien we zo wat wild: drie wrattenzwijntjes en een stuk of 10 olifanten.

In de middag maken we een boottochtje via de lokale boottochtjesorganisator. Op de oevers van het kanaal schijn je behoorlijk wat wild te kunnen spotten. Samen met twee Fransen, Eric en Ann-Charlotte, stappen we aan boord. We zijn het kanaal nog niet overgestoken of we spotten de eerste twee olifanten al. Al snel komen er wat meer aangelopen. Ze zitten zo’n beetje ter hoogte van het groepje dat we in de ochtend gezien hebben, en we vermoeden dat het dezelfde zijn. Maar waar we ze vanochtend enkel van een afstandje konden bewonderen, kunnen we nu heel dichtbij komen. Verder passeren we nog wat buffels, meerdere vogelsoorten, wat aapjes, een krokodil en een watervaraan. En hippo’s. We hebben nog geen afscheid genomen van het eerste groepje, of de volgende nijlpaarden kondigen zich alweer aan. Ik wil graag geloven dat de claim dat hier de meeste nijlpaarden ter wereld bij elkaar zijn klopt.

Het tochtje duurt eigenlijk twee uur, maar we zijn wat eerder terug. Het is namelijk hard beginnen te waaien, er zijn zelfs forse golven. Geen feest voor die smalle vissersbootjes die we uit zagen varen. Het regent al voordat we terug aan land zijn, maar de bui barst gelukkig pas echt los als we zijn afgestapt.

Eric en Ann-Charlotte vragen of we zin hebben om morgen een gamedrive samen te doen. Dat vinden we prima, het zijn leuke lui, en we hebben geluk want zij hebben, blijkt al pratend over de mogelijkheden, eigen vervoer. We praten in een mengelmoesje van Engels en Frans. Ons Engels is beter dan ons Frans, hun Frans beter dan hun Engels, maar samen komen we er wel.

Als we de kamer voor een nacht willen bijboeken blijken we pech te hebben. Inmiddels is alles volgeboekt. Het is even balen, maar al snel hebben we in een ander hotel in het dorp een kamer geboekt waar we de volgende ochtend al meteen onze spullen op kwijt kunnen, dus het leed (als dat er al was) is snel geleden.

De volgende dag staat het busje om half acht klaar. We hebben al onze spullen al naar de nieuwe kamer gebracht dus we kunnen meteen weg. Queen Elizabeth National Park heeft geen enorme verscheidenheid aan dieren, maar het is wel een heel mooi park. Heel groen, met de Rwenzori bergen die overal boven uit torenen. Bovendien is het erg leuk om met mensen rond te rijden die nog nooit eerder op safari zijn geweest. Waar wij inmiddels al wat blasé zijn, zijn zij overal enthousiast over. En we hebben geluk, we zien nog net een leeuw voordat hij besluit de rest van de dag onder een struik in het gras te gaan liggen.

Wel maken we weer onze klassieke fout. In plaats van tussen half 11 en 3 terug naar het hotel te gaan, blijven we rondrijden in de hoop nog wat extra beesten tegen te komen. Maar zoals in ieder wildpark is er in die periode echt helemaal niets te doen en worden we alleen maar duf van het rondrijden en geconcentreerd naar buiten kijken. Tegen vijven zien we twee flinke kuddes olifanten, en we besluiten nog even terug te rijden naar de plek waar we in de ochtend de leeuw zagen. Daar staat wel een auto. Wouter en Cas, twee Nederlanders met wel een verrekijker, hebben de leeuwen inderdaad gevonden, maar veel meer dan een zwaaiende staart zien ze niet.

Na twee dagen beesten spotten stappen we weer op de fiets en met de Rwenzori aan onze linkerhand fietsen we in twee dagen naar Fort Portal. Onderweg passeren we de evenaar, en terwijl we daar zo staan stopt er een witte 4×4. Het is niet de eerste keer dat we deze auto zien. In Rwanda, net voordat we de grens overstaken, hebben we al even met ze staan kletsen en ook in Queen Elizabeth kwamen we ze tegen. Grant, een Zuid-Afrikaan, is met zijn vrouw en twee zoontjes een jaar op pad. Ze rijden tot Kenia, daarna draaien ze om en rijden ze weer huiswaarts. Grappig om ze zo een paar keer tegen te komen.

Het is in Oeganda meestal even zoeken naar een plekje om wat te drinken. Winkeltjes met frisdrank zijn geen probleem, die zie je zo zitten, maar theeshopjes is een ander verhaal. Je moet dan naar binnen kijken, en als er thermosflessen op de toonbank staan zit je goed. We stonden wel wat vreemd te kijken toen ze ons de eerste keer vroegen of we er een escort bij wilden, maar ze bedoelen dan of je er wat te eten bij wilt.

Meestal verzamelen zich tijdens zo’n stop wat kinderen om ons heen. De een durft wat meer dan de ander, meestal zijn er wel een paar die een hand durven geven. Als Wilchard dan zijn camera pakt is het meestal eerst een groepsfoto en de foto terug laten zien. Dat vinden ze zo leuk, dat ze daarna een voor een op de foto willen.

Als we in Fort Portal naar een restaurantje lopen komen Cas en Wouter ons tegemoet gelopen. We besluiten samen een biertje (of twee) te drinken en eten meteen wat. Het is erg gezellig om even met hun te babbelen en het eten is erg goed. Hier gaan we over een paar dagen vast terug komen.

Vanuit Fort Portal maken we namelijk een kort uitstapje. Ten zuiden van het stadje ligt Kibale National Park. Dit staat bekend om zijn apen, en dan met name de chimpansees. Het concept is gelijk aan dat van de gorilla’s (met een ranger op zoek, en als je ze gevonden hebt krijg je een uur) maar het prijskaartje ($150) aanzienlijk lager. Wij besluiten door het park te fietsen (er loopt een supergoede asfaltweg) en net buiten het park bij Bigodi een wandeling bij een moeras te maken. Daar schijn je ook al heel veel apen te kunnen zien. Theoretisch ook chimpansees, maar dat is vooral theoretisch. Onderstaand bord hing trouwens in Queen Elizabeth om wat uitleg over de relatie tussen de mens en chimp te geven. Nu vind ik Rowan Atkinson ook heel leuk, maar of je het nu als een compliment moet opvatten als hij het blanke ras vertegenwoordigt…….

Het eerste deel van de route rijden we binnendoor. Hier liggen wat kratermeren en het landschap is erg fraai. Maar kraters betekent ook redelijk steile hellinkjes. De binnendoorweg is de eerste 14 km weliswaar onverhard maar van bijzonder goede kwaliteit. Maar waar we eigenlijk linksaf wilden om weer op de doorgaande weg uit te komen, bestaat de weg uit blubber. Niet fijn fietsen, dus we besluiten ietsje door te fietsen en daar links te gaan. Het weggetje op onze kaart blijkt echter niet meer dan een smal paadje, en op advies van iemand uit het dorp pakken we nog een afslag later. Met als enig jammer punt dat we hier nog een paar keer steil omhoog en omlaag mogen. Gelukkig steeds maar kort, want voor mij betekent het duwen.

Als we weer op het asfalt terecht komen zien we meteen ook weer theevelden. Een paar honderd meter verderop rijden we Kibale in. Overal horen we vogelgeluiden en we slalommen tussen de vlinders door. Een paar keer stoppen we omdat we wat zien of horen bewegen, en één keer hebben we geluk als er naast wat bavianen ook wat roodstaartmeerkatten langs de weg zitten.

Aan de andere kant van het bos vinden we een slaapplek en lopen we richting de Bigodi Wetlands, waar we de wandeltour willen doen. Tweehonderd meter voorbij ons hotel zit echter een andere aanbieder, en we besluiten met hen nu en morgenochtend een wandeling te maken. We krijgen plastic zwarte laarzen en daar gaan we. We zijn nog geen 50 meter onderweg of we mogen al even schuilen. Het is een wat dreigende dag vandaag, er zijn al een paar buitjes gevallen, maar ook nu blijft het bij een paar minuten.

Dit tourtje blijkt niet echt in de Bigodi wetlands te lopen, maar in de uitlopers ervan evenwijdig aan Kibale. Wellicht is het het tijdstip, wellicht het weer, maar apen zien we niet. Totdat onze gids opeens blijft staan. Een palmboom iets verderop beweegt. Hij wenkt ons iets naar rechts te gaan staan. Dat zwarte wat we zien, dat is volgens hem de arm van een chimp. En als we ietsje verderop gaan staan, zien we hem in volle glorie zitten. Niet lang trouwens, maar toch heel bijzonder. Dan is hij weg, het bos in. Uit het geschreeuw dat we horen blijkt dat hij niet alleen is, maar ze zijn te ver weg en het bos is te dicht.

De volgende ochtend zien we geen chimp, wel verschillende soorten andere apen, maar ze zijn allemaal nogal ver weg. Licht teleurgesteld stappen we op onze fietsen voor de terugweg. En letterlijk in de eerste bomen van het bos zit een groep Colobusapen. Terwijl wij staan te kijken, Wilchard met camera in de hand, komen er verschillende jeeps met toeristen voorbij, maar er stopt er geen één om te kijken wat er te zien valt. De eerste paar kilometer mogen we zo nog een paar keer stoppen. We zien ook nu verschillende soorten apen, maar een stuk dichterbij dan op ons tourtje.

Tip voor als je een keer in de buurt bent: huur in Fort Portal een fietsje en rijd op en neer door het nationaal park. En voor ik het vergeet: heen is dan bergaf, terug ga je diezelfde heuvels weer op.

We besluiten twee daagjes in Fort Portal te blijven voordat we naar Kampala, de hoofdstad, fietsen. We hebben een heerlijk hotelletje, keuze uit eetplekken (zelfs een restaurant met broodje kroket, want van Nederlanders) en voor de verandering snelle Wi-Fi, ook een keer fijn.

De meeste hotels waar we zitten kopen per dag data in, als ze al Wi-Fi hebben. En daarbij rekenen ze niet op het grootverbruik van twee wazungu, maar op een beetje whatsapp en Facebook. Wat betekent dat na het updaten van een paar apps het dagelijkse quotum vaak overschreden is. Hier kwamen we achter toen ik bij een hotel ging vragen waarom het internet niet meer werkte. En tja, de enige die data bij kon kopen was al naar huis….

In Fort Portal zoeken we zoals gewoonlijk de markten weer op. Die zijn hier deels overdekt, maar door de regen is het niet overdekte deel één grote blubberboel.

En dan mogen we de fiets weer op, oostwaarts, richting Kampala. We rijden heuvel op, heuvel af, heuvel op, heuvel af. Het blijft vier dagen op en neer gaan. Eerst door theevelden en nog wat regenwoud, maar die maken uiteindelijk plaats voor dorpjes en landbouwgebied.

Regelmatig denken we het niet droog te houden, maar we hoeven maar één keer echt te schuilen. Gelukkig staan er twee gebouwtje langs de kant van de weg. De deuropening waarin we schuilen biedt toegang tot een opslag voor maïs, maar de drie andere ruimtes blijken leslokalen te zijn voor een middelbare school. Het is niet veel meer dan de opslagplaats, maar dan zonder maïs en met een bord en schoolbanken. En een fiets. We vermoeden dat die van de leraar is, maar die is in de verste verte niet te bekennen.

Het eerder vermelde heuvel op heuvel af wordt trouwens af en toe onderbroken. En wel door de gevreesde verkeersdrempels. Dat gaat als volgt.

  1. Rem flink af
  2. Rijd heel langzaam over vier tot vijf smalle, venijnige drempeltjes heen.
  3. Kijk of de voortassen niet zijn losgetrild.
  4. Rijd 20 meter verder.
  5. Herhaal stap 2 en 3.
  6. Rijd 20 meter verder.
  7. Rij over een brede hogere drempel die wat geleidelijker is en dus prima te fietsen.
  8. Rijd 20 meter verder.
  9. Herhaal stap 1 t/m 5.

En dit dus bij bijna ieder dorp aan het begin en het eind. Personenauto’s en brommers kunnen er met een flinke snelheid overheen, maar vrachtwagens en fietsers niet. Dus als het dorp vindt dat er extra maatregelen nodig zijn, regelen ze die zelf. Met een flinke lading zand kun je prima op een vrije zaterdagmiddag een extra verkeersdrempel in elkaar boetseren.

Vier dagen later rijden we Kampala binnen, waar we ons best gaan doen om een Soedanees visum te bemachtigen.

11 thoughts on “Beestjes, allemaal beestjes om ons heen

  1. Ik heb de foto’s nog een keer bekeken en eentje sprong er toch wel
    voor mij bovenuit, jij met die kroketten! Ik moest dit even kwijt!

Comments are closed.