Kampala en noordwaarts

Kampala is druk, heel druk. Ons hotel bevindt zich aan de rand van het oude stadscentrum met de markten, naast de halte waar de bussen naar de andere landen in Oost-Afrika vertrekken. Hier rijdt het verkeer nog, maar in het oude centrum kruipt het. Tenminste, als het niet stilstaat. Naast ontelbaar veel minibusjes rijden er nog meer boda-boda’s. Zo heten de motortaxi’s hier, waar we in Kigali een paar keer gebruik van hebben gemaakt. Hier lopen we liever. Er is namelijk een duidelijk verschil met Kigali. Of beter, een aantal verschillen:

  1. In Kigali heeft een motor maximaal 1 passagier, hier mogen er zoveel op als past.
  2. In Kigali krijg je als passagier altijd een helm, hier meestal niet
  3. In Kigali heeft de chauffeur altijd een helm, hier in 60% van de gevallen
  4. In Kigali rijden ze op de weg, hier overal waar je je langs kunt wurmen omdat het anders niet opschiet, dus ook op de stoep
  5. In Kampala zijn er een aantal chauffeurs met een safe driver hesje, in Kigali niet. Dat lijkt in het voordeel van Kampala, tot je beseft dat het in Kigali blijkbaar niet nodig is je op die manier te onderscheiden.

In Kigali rijdt geen Uber, in Kampala wel. Hier heb je Uber-boda-boda’s, te herkennen aan Uber op de achterkant van hun helm. In de Uber app krijg je trouwens wel de keuze tussen boda-boda en auto, maar die is fictief. Als je auto kiest blijkt er nooit een aanwezig.

Nog een mooi fenomeen in Kampala zijn de minibusjes. Ze volgen een vaste route, en de bijrijder/conducteur roept de bestemming. Op basis daarvan hoor je dan maar te weten welk busje je moet hebben. Deze busjes rijden niet alleen in de stad, maar ook tussen steden en dorpen. Dan staat de bestemming op het busje. Bij deze kun je op het beginpunt opstappen, maar je kunt ze ook onderweg aanhouden. Mocht je op het beginpunt opstappen dan zou je enerzijds willen dat je de eerste passagier van die rit bent, anderzijds niet. Je mag dan namelijk kiezen waar je gaat zitten, maar een busje vertrekt pas als het zo goed als vol zit. En als het dan vol zit, dan moet het nog van de taxistandplaats weg zien te manoeuvreren….

Het visum voor Soedan wil helaas niet lukken. We hebben het idee dat het onwil is, maar veranderen er niets aan. Omdat we niet vliegen vanuit Oeganda, worden we doorverwezen naar Nairobi. Dat heeft als nadeel dat we nu dan nog niet de vlucht naar Khartoum willen boeken omdat er nog onzekerheid blijft over hoe lang de visumafgifte duurt en hoe lang we erover doen om in Nairobi te komen. Maar het past gelukkig, na wat geschuif, wel in onze plannen. We reserveren altijd wat wisseldagen, die we inzetten als we de route willen wijzigen, ergens langer willen blijven, bij regen (in Afrika nog maar 2x) en bij ziekte (nog 0x). En in situaties als deze. We gaan eerst nog het noordoosten van Oeganda in en rijden dan Kenia binnen, waar we naar verwachting na een kleine twee weken Nairobi bereiken. Daar nemen we nu wat ruimer de tijd.

We hoeven dus niet lang in Kampala te blijven in afwachting van het visum, maar besluiten toch nog een paar daagjes te blijven. We hebben een heerlijk hotel, goede Wi-Fi, een ruime keus aan eten en we vinden het ook wel weer even leuk om in een grote stad te zijn. We lopen zelf wat rond, maar doen ook een wandeling met een gids. Of eigenlijk met twee gidsen, want een van de twee is nog in opleiding. Beide dames komen van het platteland, hebben in Kampala gestudeerd en moeten er niet aan denken terug te moeten keren naar hun geboortedorp. We zien niet veel anders dan we zelf zouden hebben bezocht, de meerwaarde zit voor ons in het contact en hun kijk op het land.

We lopen over markten, en bezoeken een hindoetempel en dé grote moskee. Die laatste is gefinancierd door Khadaffi.

Kampala uit is wat minder relaxed dan Kampala in. Dat ligt niet aan de route, die is hetzelfde maar omgekeerd. De dag van de week is allesbepalend. We reden Kampala in op een zondag en nu uit op een donderdag. Een wereld van verschil. Gelukkig keert een paar kilometer ten noorden van Kampala de rust terug. Er zijn, net als eerder, heuvels, maar die zijn een stuk minder hoog en nemen in de loop van de dag ook nog eens af in hoogte en steilheid.

In Luweero ga ik weer op zoek naar een kapper. De korte haren uit Namibië behoren inmiddels tot een duister verleden, en in ons guesthouse, dat zich op een kerkterrein bevindt, kan ik meedoen met de nozem en de non. Waarbij ik niet de non ben. Kapper 1 is een herenkapper en zegt dat hij me kaal kan scheren maar dat ik het beter bij de dameskapper aan de overkant kan proberen. Zoals verwacht is het antwoord daar ‘no’. Dameskapper 2 idem, bij herenkapper 2 is de kapper even weg, maar herenkapper 3 wil de uitdaging wel aangaan. Als ik zeg dat ik niet al mijn haar kwijt wil zegt hij ‘I know’, en hij blijkt het ook echt te weten. Met een uiterst geconcentreerde uitdrukking op zijn gezicht is hij even bezig, maar dan kan ik ook als een tevreden klant het pand verlaten. De volgende keer wordt Nederland. We hebben namelijk geboekt en zijn rond kerst drie weekjes terug. Daarna vliegen we weer oostwaarts, met als resultaat dat je dit soort mailtjes krijgt van booking.com:

Maar voorlopig rijden we eerst nog verder door Oeganda. Ons hotel doet dit keer niet aan ontbijt, dus we ontbijten op straat met een kop zwarte thee en een Rolex. Prima fietsvoer, blijkt, want we leggen vandaag 145 km af. Terwijl we wachten op de rolex, laat Wilchard een jongetje schrikken. Dit klinkt gemener dan het is. Bij 2-jarigen moet je dit niet doen, die hebben een trauma voor het leven, maar dit groepje is al wat ouder en vindt die Mzungu’s leuk spannend. Een beetje als een horrorfilm, je weet dat je niets engs zal overkomen maar toch… Na de eerste keer blijven ze om een hoekje staan wachten. Tot Wilchard zijn hoofd om de hoek steekt en ze er giechelend en krijsend vandoor gaan. Als het vervolgens te lang duurt eer Wilchard hen weer laat schrikken, roepen ze zelf. ‘Mzungu! ‘. Het klinkt akelig veel als ‘nog-een-keer! ‘.

Het landschap vlakt langzaam uit. Niet echt vlak, maar vlakkig. Anders hadden we die 145 km ook nooit gehaald. Het zal tot Kenia duren eer we weer echte heuvels krijgen.

In Lira, een provinciehoofdstad, pakken we weer een rustdag. Het is er druk. Op de markt, op straat, maar vooral op het busstation. Waar je niet alleen een kaartje voor de bus kunt kopen, maar ook voor achterop de vrachtwagen.

We rijden weer verder. Het landschap wordt weer wat vlakker en de begroeiing anders. Nog steeds groen, maar redelijk wat palmbomen. Ook de wat kleinere plaatsjes onderweg zien er opeens weer uit alsof we terug zijn in Zambia. Veel ronde lemen hutten op een keurig aangeveegd erf. Als we het einde van de dagroute bereikt hebben en het pas 11 uur blijkt te zijn, besluiten we de dag van morgen erbij te fietsen. Dat is ook prima te doen, minder hoogtemeters scheelt enorm, maar het is vandaag wel bloedheet. Sowieso is het een stuk warmer geworden sinds we Kampala verlaten hebben, dus we hebben steeds meer baat bij ons om zes uur piepende horloge. De eerste uurtjes hebben we én mooier licht, én een aangenaam temperatuurtje om bij te fietsen.

Van Soroti naar Moroto is het 170 km en dat is zelfs ons teveel van het goede. Al helemaal omdat we niet precies weten wat de toestand van de weg is, alleen dat hij niet helemaal verhard is. Halverwege hebben we zelf geen hotel gevonden, en in Soroti weten ze te melden dat er geen overnachtingsmogelijkheid zit. We besluiten dan ook om ons 100 km te laten vervoeren en de laatste 70 zelf te fietsen. Wilchard vindt al snel een plek met pick-ups die jou en je bagage graag ergens heen brengen. Na wat op-en-neer-gepraat zijn we het eens over de prijs, en om kwart over acht rijden we bij ons hotel weg. Om 17 over acht staan we bij het tankstation, want er wordt natuurlijk pas getankt als er een rit gescoord is. Om 26 over 8 rijden we nog een blokje om voor remvloeistof, en om half negen moet een briefje van 10.000 gewisseld worden in 10 x 1.000. Voor de politie, legt hij uit, want die is zo corrupt als maar zijn kan. Uiteindelijk blijkt de eerste politiestop ook onze beste vriend, want de agente wijst hem op een enorme scheur in zijn linkervoorwiel. In het dorp 400 meter verderop stoppen we dus om de band te vervangen. Er komen wat mannen aan met sleutels en een hydraulische krik, die hem helpen. Het is even opletten waar ze de auto moeten vastpakken om hem op de krik te heffen, want al het plaatwerk zit los. Sowieso is de auto al zes keer afgeschreven, maar hij rijdt en remt nog steeds, dus hij kan nog even mee.

Tot 85 km is de weg een combi van extreem goede gravel, slecht asfalt en goed asfalt. Op de 85 km begint echter een stuk dat wel van gravel is, maar niet extreem goed. We zijn blij dat we hier nog niet hoeven te fietsen. Helaas is het 15 km verderop, waar trouwens toch een hotel blijkt te zitten, nog niet veel beter. Nu vinden we onze chauffeur al een geschikte peer, maar hij weet dat nog te bevestigen door te melden dat hij ons ietsje verderop wel uit zal laden, want daar begint weer een stuk asfalt. Dat ietsje verderop blijkt een rekbaar begrip. Als na 15 km nog steeds geen asfalt in zicht is en de gravel inmiddels van prima kwaliteit is, laten we hem stoppen en stappen we uit. Het landschap is inmiddels weer veranderd. Het is hier een stuk minder groen. Nog lang geen Botswana, maar wel een stuk saaier.

We zijn inmiddels in Karamoja beland, een gebied dat tot 2006 nog niet veilig was. De verschillende clans stalen elkaars vee in gewelddadige roofpartijen, mensen werden onderweg beroofd en konden het, als ze pech hadden, niet navertellen. Sinds 2006 is het echter rustig. Er heeft een massale ontwapening plaatsgevonden : 40.000 AK-47’s zijn in beslag genomen. De overheid was al veel langer aan het proberen de bevolking te ontwapenen, maar dat lukte steeds niet. Tot 2006. Toen kreeg iemand het wrede idee om met helikopters boven een veestapel te gaan vliegen. Als het vee dan uit angst allemaal bij elkaar was gekropen, gooiden ze een granaat naar beneden. De Karamajong, voor wie vee de belangrijkste inkomstenbron is, kozen eieren voor hun geld en leverden hun wapens in, zodat de helicopteracties zouden stoppen.

Onze route eindigt in Moroto. Hier stappen we van de fiets en laten hem een paar dagen staan. We hebben een tourtje geboekt om Karamoja wat beter te leren kennen. Maar eerst nemen we een ijskoud biertje om te proosten op Wilchards verjaardag.

14 thoughts on “Kampala en noordwaarts

Comments are closed.