Karamoja

We hebben ons tourtje georganiseerd via Kara-Tunga. Dit zit in Moroto en onze contactpersoon is Theo Vos. Hij is geboren en opgegroeid in Nederland maar naar Oeganda vertrokken toen zijn moeder, van oorsprong Karamajong, terug ging naar Oeganda. Nu probeert hij hier door middel van toerisme inkomsten te genereren voor de regio. Hun hotel is onze uitvalsbasis. Hier worden we opgepikt door Joelle, onze chauffeur voor vier dagen.

We rijden noordwaarts, en na 10 km is het gedaan met het asfalt. Een rode zandweg brengt ons dieper Karamoja in. Hoe verder we Moroto achter ons laten, hoe slechter hij wordt, maar het is allemaal goed te doen en we hebben de four-wheel drive nog niet nodig.

Een kilometer of 100 verderop staat James op ons te wachten. Hij is onze gids voor Nakapelimoru. Dit is naar het schijnt met dik 21.000 inwoners het grootste dorp in Oost-Afrika. En een dorp is in deze een traditioneel dorp, waar iedere familie een eigen omheind erf heeft. Nog niet zo lang geleden gingen de erven zo’n beetje in elkaar over, maar tegenwoordig is er wat meer ruimte. Een brand een paar jaar geleden bleek wel erg gemakkelijk over te kunnen slaan.

Op het erf staan een paar ronde lemen hutjes waarin geslapen en, bij regen, geschuild wordt. Tegen het erf aan is een ruimte waar ’s avonds de koeien en geiten slapen. Om bij de huizen te komen moet je eerst via een relatief grote opening naar de veeruimte. En geloof mij, relatief is hier het sleutelwoord. Relatief ten opzichte van de opening tussen de veeruimte en het woonerf. We passen er met onze grote stramme lijven net door.

Overal waar we kijken zijn kinderen. Ontelbaar veel kinderen. Die het allemaal, stuk voor stuk, superleuk vinden om zichzelf terug te zien op de camera. Hetzelfde geldt trouwens voor de volwassenen, en foto’s maken is dan ook geen enkel probleem.

Overal waar we lopen horen we ‘dodo dodo’. Ze vragen niet om een uitgestorven vogel of Rwandese spinazie, maar om lege flessen. Die zijn superhandig, maar je krijgt ze normaal gesproken alleen door een volle fles te kopen, en dat is voor de mensen in de dorpen een te dure optie. Vragen aan voorbijgangers (dus niet alleen toeristen) is het alternatief.

Als Wilchard een vrouw met een ketel op haar hoofd ziet lopen vraagt hij of hij hem een stukje over moet nemen. Dat laat ze zich geen twee keer zeggen, en voordat Wilchard het weet loopt hij met 10 kilo eten op zijn hoofd, tot groot vermaak van de kinderschare die ons begeleidt.

Verder rijden we. Uiteindelijk bereiken we na 250 km zandweg Karenga. Hier vinden we een prima hotelletje net buiten Kidepo National Park, één van de redenen waarom we noordwaarts gereden zijn. De volgende ochtend gaat de wekker dan ook om 5 uur, zodat we tegen zessen het park binnen rijden. Of we maar willen registreren bij de lodge in het park, degene die de registratie bij de poort moet doen slaapt nog. Wat ons betreft geen probleem, daar moeten we toch onze gids oppikken.

Waar het aantal toeristen in Queen Elizabeth al niet vergelijkbaar was met de parken in Namibië, Botswana, Tanzania en Kenia, rijden er hier helemaal maar een paar jeeps rond. We pikken een ranger op die ons twee gamedrives zal vergezellen. En we zijn blij met Ranger Jimmy, want zonder hem zouden we lang niet zoveel gezien hebben. Net zoals Queen Elizabeth eerder is Kidepo landschappelijk erg fraai, maar het aantal beesten en de diversiteit is niet heel groot. Behalve als je van buffels houdt. Kleine buffels, grote buffels, eenzame buffels, kuddes buffels, schone buffels, smerige buffels, ze zijn er allemaal en in enorme aantallen. Kidepo verlaten zonder een buffel gezien te hebben is onmogelijk.

Dankzij ranger Jimmy zien we ook op beide drives een groepje leeuwen, wat heel bijzonder blijkt te zijn. Van de olifanten moet hij niets hebben, die zien we alleen vanaf een flinke afstand, met de auto al gedraaid zodat we er in geval van nood snel vandoor kunnen. Van de 52 giraffes die het park telt zien we er in totaal 3, dus we mogen zeker niet klagen. En dat doen we dan ook niet.

Met de ondergaande zon verlaten we het park. Bij de poort vraagt de bewaakster ons nog even of wij die vroege vogels waren.

Ons guesthouse bevalt enorm goed. Onze kamer is niet luxe maar prima en Moses, de receptionist, is een superaardige vent. We hebben de accommodatie tijdens het tourtje maar niet laten regelen. Niet alleen zijn de standaard toeristenaccommodaties, helemaal als je via een bureautje boekt, een stuk duurder dan ons normale overnachtingsbudget, maar ze liggen ook allemaal in het park. En dat is natuurlijk wel leuk, maar je permit is 24 uur geldig, en met twee overnachtingen betekent dat 2 permits, $80, bovenop de overnachtingsprijs. Buffalo Base, waar wij buiten het park overnachten, blijkt ook een mzungu- en een lokaal tarief te hebben, en wij slapen tegen lokaal tarief.

De volgende ochtend moet er getankt worden. Een echt tankstation is er niet in Karenga, maar enkele ondernemende jongeren gaan eens in de zoveel tijd 70 km verderop een vrachtwagentje containers met benzine halen die ze met een kleine opslag verkopen. We kopen twee containers, maar die kunnen niet zomaar de tank in. Er wordt een zakdoekje op de tank gelegd en als de benzine erdoorheen geschonken is kun je goed zien waarom het filter nodig was: er blijft een donker laagje op de zakdoek achter.

Terwijl er getankt wordt komt er een jongetje bij ons staan. Hij vraagt niets, maar heeft twee kleine lege flesjes vast. Wilchard loopt naar binnen en geeft hem er nog twee. En herhaalt dit nog een paar keer. Uiteindelijk kan hij net boven het stapeltje flesjes uitkijken, en met een brede glimlach loopt hij weg.

We pikken onze volgende gids op. Emma, een man by the way, zal ons vergezellen naar de Ik. Deze stam is, net als de Batwa in het zuidwesten, verdreven uit hun leefgebied toen er een nationaal park werd gecreëerd, in dit geval Kidepo. Omdat het een bijzonder kleine stam is (10.000-11.000 leden), en zwakker dan de Karamajong en Turkana die in dezelfde regio leefden, hebben ze zich uiteindelijk op Mount Murongole gevestigd, waar ze in 16 dorpjes leven.

Dat betekent ook dat we eerst een stuk mogen rijden, en daarna omhoog moeten lopen. De tocht gaat door heuvelland, onderweg passeren we dorpjes en herders.

Aan het einde van de weg verlaten we de auto. We parkeren hem bij de militaire barakken en krijgen twee militairen mee. De berg die we beklimmen ligt in het grensgebied met Zuid-Soedan en Kenia, en toeristen mogen niet zonder begeleiding naar boven. Echt spannend lijkt het trouwens niet, want als we de militairen de volgende ochtend naar hun nacht vragen, blijken ze goed geslapen te hebben.

Terwijl er wat boodschappen worden gedaan voor het avondmaal, speelt Wilchard een potje voetbal met de kinderen en wat volwassenen in het dorp aan het einde van de weg. Hilariteit alom, vooral als ze de bal proberen terug te schoppen en omvallen omdat ze er volledig naast trappen. De scouts van Barcelona kunnen beter ergens anders op zoek naar nieuw talent.

Als de boodschappen gedaan zijn beginnen we aan onze wandeling. Die duurt een kilometer of vier, waarin we zo’n 400 meter omhoog gaan. Al snel ben ik buiten adem. Dit is toch wat anders dan fietsen. Maar met veel rustpauzes en mentaal ondersteund door twee oudjes die voor me lopen en voortdurend in de gaten houden of het allemaal wel goed gaat, komen we na twee en een half uur boven. En net op tijd, want zodra we het dorp in lopen begint het even te regenen. We schuilen in een lemen hut waar we, naar later blijkt, ook slapen.

Gelukkig is het al snel weer droog, dus we kunnen naar buiten. Ook hier vinden kinderen en volwassenen het geweldig om zichzelf en dorpsgenoten terug te zien op de achterkant van onze camera’s. En ook hier zijn weer veel, heel veel kinderen. Je kunt goed zien dat ze hier geen cent te makken hebben. Een openbaar toilet is er niet, hun behoefte doen ze in de bosjes en velden buiten het dorp. Water wordt gehaald uit het riviertje net buiten het dorp, een pomp is afwezig. Een paar mensen hebben een schone relatief nieuwe doek om, maar de meesten zijn gekleed in oude, vuile kleren met gaten. De meeste kinderen lopen rond in tweedehands kleding die vele maten te groot is. Natuurlijk hebben we dit onderweg ook al gezien, maar hier lijkt het nog een graadje erger. Er zit geen grammetje te veel aan wie dan ook, de armpjes en beentjes van de kinderen lijken stokjes en behoorlijk wat buikjes zijn opgezet.

Naarmate het later wordt komen er meer volwassenen bij. Overdag zijn de meesten aan het werk, waardoor het aantal kinderen nog buitenproportioneler lijkt dan het is. De kinderen hier lijken elkaar op te voeden. Ergens hebben we gelezen dat ze vanaf een jaar of drie uit de groep gezet worden en in groepjes leeftijdsgenoten leven, maar dat zien we niet terug. Wel dat de kinderen, zodra het licht is, naar elkaar toe trekken en ook dat ze werk doen dat te zwaar is voor hun leeftijd, maar er zijn wel steeds volwassenen in de buurt en ’s avonds gaat ieder kind terug naar zijn eigen erf. Dit lijkt niet af te wijken van de rest van de kinderen die we onderweg gezien hebben. Op heel jonge leeftijd moeten ze al zorgen voor broertjes en zusjes, het vee herderen, water en brandhout halen en meehelpen op het land. Hier lijkt alleen wat minder interventie van ouderen aanwezig.

Tegen de tijd dat er gekookt gaat worden wijst één van de militairen op een kip. Of ik weet wat dat is. De vraag achter de vraag is echter of we een kip willen kopen ter aanvulling van de rijst met kool. Voor €2,25 kopen we een kip. Inkomsten voor de Ik en blije militairen betekent win-win.

Zodra de zon verdwijnt wordt het frisjes op de berg. Ik zit op een rots, en langzaam verzamelen zich steeds meer kinderen om me heen, dicht op elkaar. Ik hou hun een beetje uit de wind en onze lichaamswarmte houdt ons wat warmer. Een paar kinderen zit zichtbaar te rillen. Ik begin ze over hun ruggetje te wrijven in de hoop dat ze het zo wat warmer krijgen en voel hoe ondervoed ze zijn. Hun eerste reactie is wat aarzelend, maar al snel komt de een na de ander wat dichterbij zitten. Na een minuut of tien voel ik een handje over mijn rug wrijven. Het handje van het jongetje dat al de hele middag niet van mijn zijde wijkt.

Ik besef dat bovenstaand triest klinkt. En dat is het wat armoe betreft ook, maar we voelden ons enorm welkom en zijn vooral veel met de kinderen opgetrokken die deze afleiding zichtbaar leuk vonden.

Als het donker wordt schuiven we een paar meter op, naar waar een kampvuur gebouwd wordt. Hier eten we ook, en na een tijdje trekken we ons terug in onze hut. We rollen onze matjes en slaapzakken uit en met het geluid van het dorp om ons heen vallen we in slaap.

We worden wakker met de opkomende zon, en als na een tijdje ook onze gids, chauffeur en militairen hun hoofd laten zien lopen we naar beneden. Dat gaat een stuk gemakkelijker dan omhoog. Binnen het uur staan we beneden, en dat is maar goed ook want zodra we weer in de auto zitten begint het serieus te regenen. We fietsen hierna trouwens weer wat lichter, want we hebben onze Wakawaka, een lamp die werkt op zonne-energie, achtergelaten bij de mevrouw in wier huis we mochten slapen.

Terug naar Moroto rijden we. Af en toe valt er wat regen, de ene keer wat meer dan de andere, en we zijn blij dat we dit weer de afgelopen twee dagen niet hadden.

Na een nachtje bij Kara-tunga is het maandag in Moroto, en maandag is marktdag. Met Isaac, die ons ook later op de dag zal vergezellen, gaan we richting markt. Je kunt goed merken wanneer je er bijna bent, het wordt een stuk drukker en er lopen mensen van en naar de markt met een kip onder de arm.

De markt is niet groot, maar wel superleuk. Naast de kippen verwisselen geiten ($25) en koeien ($250) van eigenaar. Er zijn kleren uit Kenia, sandalen gemaakt van autobanden, fietsen en veel lokaal bier gemaakt van sorghum dat je ter plekke op kunt drinken of mee kunt nemen in een containertje. De fietsen worden gewoon nieuw gekocht, maar daarna slopen ze er zo snel mogelijk de remmen af. Blijkbaar gaan ze dan wat harder.

Na nog wat uurtjes bij Kara-tunga is het tijd voor de laatste activiteit van ons tourtje. We rijden naar een Karamajong dorp. Dit lijkt erg op de dorpen die we eerder bezocht hebben, maar het bezoek is toch anders. Allereerst is daar onze gids Isaac, die behoorlijk wat meer informatie deelt dan James en Emma. Daarnaast is dit dorp beduidend minder arm. Niet rijk, maar minder arm. Er wordt druk gebouwd. Bij de ingang van het dorp zijn twee vrouwen bezig met onderhoud aan hun erfafscheiding. Die bestaat uit rechtopstaande stokken die tussen horizontale stokken door geweven zijn. Af en toe moet die afzetting gerepareerd worden, en het is weer zover. Ik mag meehelpen, maar als ik er bij het weven van de verticale stokken twee breek, laat ik het snel aan de twee ervaren repareersters over. Ietsje verderop is een vrouw bezig haar erf uit te breiden. Er moet een hut voor haar dochter bij, dus dat betekent uitbouwen. De bouw is hier een vrouwensector. Zij bouwen niet alleen de erfafscheidingen, maar ook de huizen zelf.

In het dorp is ook een jeugdbeweging. Iedere dag tegen het einde van de middag komen de jongeren samen om traditionele dansen, liederen en spellen te oefenen. Ze hebben er zichtbaar lol in. De spellen die gespeeld worden zijn ‘Vang je vrouw’ en touwtrekken zonder touw. Bij ‘Vang je vrouw’ staan een man en vrouw tegenover elkaar buiten een kring met de overige jongeren. De man vraagt de vrouw of ze zich van haar huishoudelijke taken gekweten heeft. Zij antwoordt ontkennend en dat is het sein voor de man om haar rond de kring achterna te zitten in een poging haar aan te tikken. Een soort tikkertje dus. Er is trouwens een tekort aan mannen, dus de rol van de man wordt ook wel eens door een vrouw gespeeld.

Bij het touwtrekken is het touw vervangen door handen. Iedereen uit hetzelfde team pakt elkaar bij het middel, en de voorste teamleden van iedere groep haken de handen in elkaar. En dan is het dus trekken geblazen.

Zang en dans gaan met elkaar gepaard. Bij het lied waar een kring gevormd is en een paar mensen in de kring vanuit stand zo hoog mogelijk springen op de maat van de muziek, wil Wilchard wel even zien of hij ook een beetje hoog komt, maar de conclusie is dat hij nog wat moet oefenen.

Je kunt de Karamajong mannen trouwens goed herkennen, aangezien ze wat onderscheidende attributen bij zich hebben. Allereerst is daar de hoed die getooid is met een struisvogelveer. Verder hebben ze regelmatig een stok bij zich en een soort krukje. Dat laatste is bijzonder laag voor een krukje en dubbelt als kussen. En voor een kussen vind ik het dan weer bijzonder hoog.

Als de zon begint te zakken begeven we ons naar een kraal een eindje verderop. Er zijn er meer. Een kraal is de plek waar het vee de nacht doorbrengt. Hier geen huizen, enkel een hutje waar ’s avonds de hele kleine kalfjes en jonge geitjes overnachten. En de paar jonge kinderen die zo’n beetje al het werk doen: melken, overdag als herder met het vee erop uit, koken, spullen aandragen voor de volwassenen… Het zijn vaak kinderen of kleinkinderen van de eigenaar van de kraal. Ze beginnen als ze een jaar of vier zijn, en naarmate ze ouder worden krijgen ze steeds minder verantwoordelijkheid totdat ze te oud zijn en hun plaats wordt ingenomen door een jonger kind. Tegen de tijd dat ze een jaar of vijftien zijn verlaat een Karamajong het ouderlijk huis om op zichzelf te gaan wonen. Ik ben vergeten te vragen of dit alleen voor de mannen geldt.

Het werk van de paar volwassenen in de kraal beperkt zich tot opzichter en bloedverzamelaar. Dit laatste vindt plaats in de ochtend en kunnen we meemaken omdat we bij de kraal overnachten. Als aanvulling op hun dieet, drinken de Karamajong in de kraal melk en bloed. Beide zijn afkomstig van de koeien. Bij melk kunnen de meesten zich wel wat voorstellen. Iedere koe wordt twee keer per dag gemolken. En bij toerbeurt geven ze bloed. Van dichtbij wordt met pijl en boog een pijl in een ader in de nek geschoten, en het bloed wordt opgevangen in een schaal. Een beetje zoals een bloeddonor bij ons, maar dan net anders.

’s Avonds wordt een vuurtje gestookt, en langzaam verzamelen zich wat meer mensen in de kraal. Als dank voor de overnachting van de wazungu krijgt de eigenaar een container (20 liter) lokaal gebrouwen alcohol. Het alcoholpercentage is vergelijkbaar met dat van bier, en dan is 20 liter een mooie hoeveelheid om te delen met je vrienden. Wij slaan over, maar bij het kampvuur leren we elkaar ietsje beter kennen. Eerst stellen zij zich voor, daarna is het de beurt aan ons. De leeftijden van de ouders van Wilchard krijgen een applausje, maar het feit dat we maar twee kinderen hebben duidelijk niet. We hebben Rolf en Sofie weer van stal gehaald, want geen kinderen is natuurlijk volstrekt onmogelijk hier. Nadat we uitgelegd hebben dat je in Nederland van de wet wel meer kinderen mag, maar dat de meeste mensen voor 2-3 nakomelingen kiezen, krijgen we de goede raad om er nog twee op de wereld te zetten. Vier is toch echt het minimum. En we moeten niet vergeten dit advies ook door te geven aan Sofie. Dus bij deze.

We krijgen meteen ook ieder een nieuwe naam. Wilchard wordt Apa Lodou, vader van de wolken, omdat het een bewolkte avond is. En ik? Ik krijg Naseeke toebedeeld. Het staat symbool voor thuis, en in een samenleving van veehouders drukt niets thuis zo goed uit als mest. Zo heet ik dus. Een fijne naam bij de Karamajong, maar ik hou het verder gewoon bij Wendy.

Als het echt donker wordt is het etenstijd. Niets gaat zo goed samen met zelfgebrouwen bier als muizen, dus wij zijn blij dat we eerder een bestelling konden plaatsen bij Kara-tunga. Een schijnwerper die steeds dichterbij komt blijkt een boda-boda met picknickmand te zijn. Spaghetti Bolognese voor drie. De eerste keer spaghetti voor Isaac, maar het smaakt ons alledrie prima.

Met het geluid van mekkerende lammetjes en babbelende Karamajong op de achtergrond vallen we in het meegekregen tentje in slaap. Aan de horizon weerlicht het al een tijdje, maar het blijft gelukkig aan de horizon.

Om zeven uur ’s ochtends worden we weer opgehaald, en nadat we onze tassen weer hebben ingepakt en een ontbijt hebben genuttigd stappen we weer op onze fietsen. Na een paar dagen van de fiets af missen we het ook echt en is het heerlijk om die trappers weer rond te trappen. De eerste 25 km is er nog genoeg te zien. Er zijn wat dorpjes en de markt die gisteren in Moroto was wordt nu ietsje verderop gehouden. Dat betekent veel wandelende Karamajong langs de kant van de weg die we natuurlijk allemaal in ons beste Karamajongs begroeten. Edjokka!

Daarna wordt het leger. Er zijn op een plek of vier nog hutjes, maar dat was het wel. Slecht nieuws. Niet alleen omdat het landschap ook al niet heel boeiend is, maar omdat zich aan alle kanten regenwolken samentrekken. Met name links en vooruit zien we forse regengordijnen langs trekken, en een plekje om te schuilen zou dan ook niet verkeerd zijn. Gelukkig bereikt de regen ons wel, maar komt het niet met bakken naar beneden. En eigenlijk is een beetje afkoeling wel lekker, het is namelijk bloedjeheet.

We overnachten aan het einde van het asfalt in Nakapiripirit. Ietsje doorrijden zou fijn zijn voor de dagafstand van morgen, 115 km over grotendeels onverhard, maar het is nog een eindje tot het volgende hotel en omdat we niet al te vroeg vertrokken zijn is het al laat. Bovendien hopen we dat de onverharde weg morgenochtend is opgedroogd ….

En die onverharde weg begint bij het bordje einde bebouwde kom Nakapiripirit. Eerst nog een klein stukje omhoog, en dan een heel eind naar beneden. De weg is nog vochtig genoeg om stof geen kans te geven, maar er staan geen plassen dus het rijdt prima. De eerste dertig kilometer zijn prachtig. We hebben mooi licht, rijden door de uitlopers van Mount Kadam en passeren regelmatig een Karamajong dorp. Ons ‘Edjokka’ wordt steevast beantwoord met een vrolijk ‘Edjok’.

Na die dertig kilometer verslechtert de weg. Hier is de ondergrond van klei en die is door de regen op verschillende plekken veranderd in een plakkerige massa die aan je banden blijft plakken en dan alle lege ruimtes opvult. Denk bijvoorbeeld aan de remmen en de ruimte tussen spatbord en wiel. Gelukkig heeft alleen mijn achterwiel een spatbord, de overige drie hebben we in Nederland achtergelaten. Meestal kunnen we er langsaf fietsen, maar op een paar plekken bedekt de blubber de volle breedte van het pad. We moeten onze fietsen zelfs langs wat vrachtwagens duwen, die kunnen vanwege de modder niet verder. Nadat we de eerste keer met een stokje geprobeerd hebben om de modder weg te krijgen, moeten we door een heel beroerd stuk. Mijn achterwiel draait op een gegeven moment niet eens meer, de klei heeft de ruimte tussen spatbord en wiel volledig opgevuld. We zijn een half uur kwijt met het zo goed mogelijk kleivrij maken van onze fietsen.

Gelukkig is de weg daarna weer droog en kunnen we de resterende 55 km onverhard gewoon lekker fietsen. We zijn wel blij als we het asfalt weer op rijden, dat bovendien mooi glad blijkt te zijn. We hadden bedacht dat we in Sironko wel zouden kijken of we nog 25 km doorfietsen naar Mbale, maar er zit een prima hotelletje, het is niet al te vroeg meer en we zijn behoorlijk moe, dus dat restje fietsen we morgen wel.

En na een nachtje goed slapen rijden we al vroeg Mbale in. En dat komt goed uit, wanik ben jarig en dat moet gevierd worden met een goede bak koffie!

12 thoughts on “Karamoja

  1. Beetje laat, maar nog van harte Wendy! En wat een prachtige foto’s en verhalen weer. De armoede is schrijdend maar mooi hoe jullie daarmee omgaan!

  2. Wat een mooie tochten en wat een armoede. Wat lief die kinderen die bij je komen zitten en zich laten opwarmen. Nog van harte gefeliciteerd beiden. Vieze blubber wegen dus, zo smerig die blub tussen alles van je fiets. Wat een indrukken weer van het Oost Afrikaanse continent.

Comments are closed.