De laatste dagen Sumatra

De vorige keer naar Maninjau gingen we in 44 bochten naar beneden. Nu mogen we diezelfde 44 bochten naar boven. Doorademen en rustig doortrappen, is het devies.

We spreken af om bij bocht 18, of bij 180 meter stijging als die eerder komt, de eerste keer te stoppen. Dit soort afspraken maken we om twee redenen. Enerzijds omdat we in een ander tempo naar boven fietsen en ik dus weet wanneer ik Wilchard bij een theeplek kan verwachten. Ik vind het fijn om, in zware klimmen, te weten hoever het nog is eer ik kan rusten. En voor Wilchard is dit geen aanmoediging maar een rem, zodat hij ook regelmatig rust neemt en niet maar blijft gaan. Win-win dus. Uiteindelijk bereiken we die 180 hoogtemeters na bocht tien en stoppen we bij bocht 18 omdat daar pas het eerste theetentje blijkt te zitten.

De klim is pittig en gaat maar één keer mis. Bij een heel scherpe bocht moet ik door tegemoet komend verkeer de binnenbocht pakken. Die is echter zo steil dat ik ‘m niet haal en daarna ook niet meer mijn fiets de bocht om kan duwen, ik sta voor mijn gevoel te scheef om veilig af te kunnen stappen en daarbij mijn fiets met bepakking tegen te houden. Maar redding is nabij. Een auto die me heeft ingehaald en een tegemoet komend brommertje stoppen beide om me naar boven te duwen. Ik krijg van de chauffeur van de auto als info mee dat er nog twee steile bochten aan komen. Zonder helemaal naar de binnenbocht te hoeven gaan kan ik ze gelukkig prima aan.

Eenmaal boven hoeven we niet ver meer naar Bukittinggi, en er zitten nog maar twee kilometer fors naar boven in de route. De rest is vlakkig of naar beneden.

De volgende dag is een relaxdag. We fietsen dik 50 km, en die gaan of vlak of naar beneden. Voordat we Bukittinggi definitief verlaten maken we nog een stop op de markt. Hier kopen we nog even zes van die lekkere cake/pannenkoekjes, vers gebakken.

Net voordat we onze eindbestemming bereiken komt ons een luidspreker tegemoet. Hij staat op een busje met daarin trommelaars, dat voorafgegaan wordt door een paard-en-wagen met traditioneel gekleed bruidspaar. We zijn hier in het gebied van de Minangkabau. Bij deze bevolkingsgroep maken de mannen de dienst uit op religieus en politiek gebied, maar verlopen erfenissen in de vrouwelijke lijn. Bezit is dan ook in handen van de vrouwen, alhoewel hier langzaam verandering in komt.

We eindigen in de Harau vallei, een bijzonder fraai gebied waar steile wanden aan weerszijden van rijstveldjes omhoog rijzen.

Her en der komt een waterval naar beneden zetten, zo ook langs het pad bij ons hotel. Wij slapen bij Abdi’s homestay in het huis op de foto hieronder, geen heel beroerde locatie.

Deze middag lopen we wat rond in de nabijheid van het hotel. Om de hoek staat een bosje bomen waar rubber uit gewonnen wordt. De zwaartekracht doet goed zijn best en de rubber drupt langzaam naar beneden. Verder kunnen we constateren dat ook langs verticale bergwanden planten en bomen groeien, dat watervallen fraai zijn en verticale bergwanden ook.

Ik had, voordat we op reis gingen, het plan om in ieder land dat we zouden bezoeken een kookles te volgen. In Centraal-Azië ging dat niet door omdat daar simpelweg geen kookworkshops gegeven werden. Op Sumatra ging ik pas kijken waar ik een les zou kunnen volgen toen we het Tobameer, waar het bleek te kunnen, al voorbij waren. Gelukkig las ik op internet ergens dat er ook kooklessen gegeven werden bij Abdi’s homestay in Harau.

En jawel, later op de middag kan ik een kookles volgen bij het hotel. Nou ja, kookles …. Ze maken iedere avond een maaltijd klaar voor de gasten en als je wil kun je meehelpen met koken. Het is gezellig en lekker, maar een kookles wil ik het niet noemen. We maken kippenrendang, een stoofschotel, en bakwan, groenten gefrituurd in een beslag, een soort pakora’s. Op enig moment komt moeder kip met haar zeven kuikentjes ook nog even de keuken binnen gescharreld. Ik denk dat ze besefte dat de kip voor de rendang al was ingekocht, want dit is natuurlijk niet zonder risico. Na een tijdje roeren in de rendang en een rondje of twee bakwan frituren houd ik het voor gezien, het is bloedheet in de keuken.

De gezamenlijke maaltijd is een leuk idee. Je raakt zo gemakkelijk aan de praat met mensen en we hebben een leuke avond. Met op de achtergrond het geluid van de waterval, insecten en kikkers vallen we in slaap.

We blijven hier een dagje om de vallei verder te verkennen. Op de fiets. Ook op rustdagen mag er gefietst worden. Meestal zijn de hoogtemeters dan beperkt en we hebben dan natuurlijk geen bagage, dus dat fietst toch echt heel anders. We rijden de Harau vallei verder in, totdat de weg onverhard omhoog gaat en wij het voor gezien houden.

Daar horen we ook apen in het oerwoud. We hebben bij een van de watervallen al makaken gezien, maar dit geroep lijkt aan een grotere soort toe te behoren. Dat blijkt te kloppen, het zijn gibbons. Later horen we ze niet alleen, maar zien we ze in de verte ook door de bomen slingeren, een indrukwekkend gezicht.

We fietsen nog een zijvallei in. Daar zien we meteen waar al die eieren voor de nasi/mie goreng telur vandaan komen. We zien overal wel kippen los rondlopen, maar de grote aantallen komen net als in Nederland van de legbatterij. Overal wordt rijst verbouwd en de school is net uit waardoor er veel kinderen in rood/witte schooluniformen op straat lopen.

De volgende ochtend staan we vroeg op en om zeven uur zitten we op de fiets. We willen vandaag 126 km verderop eindigen over een net niet vlakke route, dus we kunnen onze tijd gebruiken. Aan het begin gaat het wat omhoog maar vooral omlaag. In de afdaling passeren we de evenaar weer, maar doordat we zo op de weg moeten letten missen we het moment zelf. Na nog een tijdje vlak te hebben gereden komen we in een heuvelachtig gebied met veel meren. Heuvelachtig is hier het sleutelwoord. Zo’n 40 km blijven we stijgen en dalen, regelmatig fors en steil. Als we uiteindelijk in Bangkinang aankomen zijn we dan ook behoorlijk afgepeigerd, maar wel voldaan. Niets dat een goede maaltijd en nachtrust niet op kunnen lossen. En we zijn tevens de bergen uit, in Sumatra zouden we geen noemenswaardige hoogteverschillen meer tegen moeten komen.

En dat klopt ook. We gaan nog wat omhoog en omlaag, maar blijven grofweg op dezelfde hoogte. De route naar Dumai gaat voor 2/3 over een drukke weg, dus we fietsen de laatste 230 km in twee dagen.

De weg leidt in eerste instantie door enorme palmolieplantages. Palmolie zit in heel veel producten die in Nederland in de supermarkt liggen en wordt ook gebruikt als biobrandstof. Omdat er een gigantische vraag naar is, wordt met name in Indonesië en Maleisië enorm veel oerwoud gekapt om plaats te maken voor palmbomen. Alleen al in Indonesië is tussen 2000 en 2012 oerwoud ter grootte van 3x Nederland vervangen.

Na de palmolie komen de ananassen. Vrachtwagens vol worden afgevoerd, maar om de 100 meter staat ook een stalletje waar je een stuk ananas kunt kopen, wat we natuurlijk niet nalaten. Aan de huizen te zien levert palmolie flink wat meer op dan ananas.

De drukke weg is inderdaad druk, maar de horrorverhalen die ik op internet van fietsers las kloppen in ieder geval voor dit deel niet. Vrachtwagens blijven netjes achter ons rijden tot ze kunnen inhalen en we krijgen voldoende ruimte van het overige verkeer.
Aangekomen in Dumai rijden we eerst naar het kantoortje van IndoMal, waar we kaartjes voor de ferry naar Malakka kopen. We krijgen hier ook de bevestiging dat de fietsen mee de boot op mogen. Officieel is het een personenferry, maar voor fietsen wordt gelukkig een uitzondering gemaakt. Morgen zitten we op de boot naar een volgend land!

12 thoughts on “De laatste dagen Sumatra

Comments are closed.