Één grote zandbak, en een klein beetje wind

Tussen Atbara en Karima liggen over een afstand van 300 km heel veel zandkorrels. Tussen die zandkorrels door rijden wij met 90 km per uur over een nette, niet drukke weg. En dat komt niet door de wind in de rug, maar door de bus waar we in zitten. We zouden voor dit deel van de route voor 3 dagen water mee moeten nemen omdat er op de laatste 35 km na niks te krijgen is. En met de huidige winterse temperaturen van 35 graden en de noordenwind die ons in onze rechterzij zou blazen, is dat minimaal een liter of 25. Als het moet, moet het, maar het moet niet.

Om half zeven ’s ochtends staan we op het busstation. We hebben kaartjes voor de grote bus. Er rijden heel veel meer en goedkopere minibusjes, maar dat is wat minder handig met de fiets. In de grote bus kunnen fietsen en bagage gewoon in het laadruim, dus voor 15 euro stappen we tegen twaalven uit in Karima. In totaal dus, niet per persoon. Plus fietsen. Het leek er nog even op dat het langer zou gaan duren toen we al na 10 km steeds langzamer gingen rijden en er uiteindelijk drie man onder de motorkap verdween, maar ze wisten het probleem te fixen.

In Soedan moet je je in iedere plaats waar je overnacht registreren. Tot nu toe hebben we hier zelf nog niet mee te maken gehad omdat de hotels dit voor ons deden. En in Shendi hebben we vermoedelijk illegaal gezeten, ik kan me niet voorstellen dat ze daar iets gedaan hebben. Hier mogen we zelf aan de bak. We krijgen een routebeschrijving, vragen het nog een paar keer en openen dan een redelijk incognito deur. Er hangt geen bordje, niks, maar het blijkt toch het kantoortje van de veiligheidspolitie waar alle buitenlanders zich moeten melden. In het Grote Boek (de sint is vandaag aangekomen, dus we blijven in stijl) mogen we onze namen, paspoorten en zo opschrijven, we krijgen een papiertje mee voor het hotel en 5 minuten later staan we weer buiten. We waren vandaag de eerste buitenlanders in het boek.

Aan het einde van de dag pakken we onze fietsen en rijden we 4 km terug in de richting vanwaar we gekomen zijn. Langs de weg staan namelijk weer wat piramides, en die willen we wel even op ons gemak bekijken. Er staat een bordje ‘verboden voor auto’s’, maar er staat niks over fietsen dus we parkeren onze tweewielers strak langs de piramides. Langzaam wordt het licht mooier. Net als in Meroë is het heel bijzonder om hier als enigen te zijn. En hier is, wonderbaarlijk genoeg, niet eens een toegangsprijs, je kunt er gewoon naartoe rijden. We besluiten morgen terug te gaan en hier te ontbijten.

Om 6 uur zitten we alweer in de schaduw van de piramides. De zon komt langzaam tevoorschijn en wint aan kracht, maar het is nog lekker fris. Ons ontbijt bestaat uit broodjes ei, la-vache-qui-rit kaasjes, sinaasappeltjes en appelsap. Mooi uitgebalanceerd dus.

We besluiten nog een stukje verder te fietsen, langs en door de groene strook aan weerszijden van de Nijl. Net als Egypte is Soedan één grote zandbak waar een groen lint doorheen loopt. Er worden wel wat pogingen ondernomen om ook buiten de oevers van de Nijl wat te verbouwen, maar dat wil niet echt lukken. Rondom de Nijl lijkt het alsof je in een andere wereld bent: dadelpalm na dadelpalm, en alles is groen.

De rest van de dag koelen we af op onze kamer en doen we boodschappen voor de komende twee dagen. Tussen Atbara en Karima lagen 300 km woestijn, van Karima naar Dongola zijn het er 180. We slaan nieuwe dadels, brood en gekookte eieren in, maar vooral veel drinken. We hebben gelezen dat we onderweg niets hoeven te verwachten, dus er gaat 17 liter (dat is 17 kg) extra mee op de fiets. Daar moeten we het mee kunnen redden.

Zodra het licht is rijden we Karima uit. Binnen 5 km passeren we nog wat huizen, en dan wordt het leeg. Maar wel mooi leeg. Wij houden wel van die leegte. En gelukkig rijden we vooral westwaarts, dus we hebben de wind niet van voren.

Op de helft zit een bidplek die natuurlijk vergezeld gaat van potten water. Het is grondwater, geen nijlwater, dus het ziet er schoon uit en het is lekker koud. Precies voor dit soort gelegenheden hebben we een waterfilter bij ons. We vullen drie van onze inmiddels lege flessen. Het kan geen kwaad om wat extra vocht mee te nemen.

Tegen vieren beginnen we om ons heen te kijken, op zoek naar een plek om onze tent op te zetten. Iedere 10-15 km staat er een ommuurde communicatiemast. Overdag zijn dat de enige schaduwplekjes, ideaal om even tegen uit te puffen. En ’s avonds kan zo’n muurtje de wind mooi tegen houden en ons uit het zicht. Uiteindelijk vinden we een mooier plekje. Achter een rots in een soort duinpan, kan ons tentje mooi staan. De rots houdt ons uit het zicht, de zandduinen houden ons uit de wind. Het is er doodstil. Over deze weg rijdt nauwelijks verkeer, al helemaal ’s nachts niet.

Onze slaapplek zit op 2/3 van de route, dus we hoeven nog maar 60 km tot Dongola. We zijn amper onderweg of we hebben onze eerste lekke band op het Afrikaanse continent. Superglad wegdek, maar dat mag niet baten. Net als bij de drie lekke banden in Azië ligt de oorzaak in de buitenband. Die is, om de kans op lek rijden te verminderen, verstevigd met stukjes metaal. Een van die stukjes is door het rubber heengekomen en heeft een gaatje geprikt in de binnenband. Het is gelukkig het voorwiel, die is gemakkelijker en daarmee sneller te vervangen dan de achterband, waardoor we zo min mogelijk van de relatief koele uren verspelen. 20 minuten later zitten we weer op onze fiets. We hebben vandaag zowaar een kilometer of 10 wind mee. We waren bijna vergeten hoe dat voelt, en beseffen al snel dat fietsen van noord naar zuid een stuk eenvoudiger en sneller is dan van zuid naar noord.

Net voordat we het groen rondom de Nijl weer bereiken zien we een chameleon op de weg. Wilchard maakt wat foto’s, en als hij terug loopt naar zijn fiets omdat de batterij van zijn camera leeg is komen er vier jeeps met toeristen voorbij. We vrezen het ergste voor het arme beest, en dat blijkt terecht. Hieronder staat zijn laatste foto.

Dongola blijkt een levendig stadje. Het eerste hotel is de volgende dag volgeboekt, wat niet handig is aangezien we twee nachten willen blijven. We belanden in een basic hotelletje met aan weerszijden van de ingang theeshopjes en restaurantjes. Begane grond, dus ook nog eens handig met de fiets. Na wat gegeten en gedronken te hebben brengen we het hete deel van de dag door op onze kamer.

In de namiddag blijkt het dorp uitgestorven. Op een paar winkeltjes en theeshopjes na is alles gesloten, en naarmate het later wordt is er steeds minder open. Tegen vijven halen we wat te eten, en terwijl ze onze broodjes aubergine klaarmaken gaat ook hier de deur op slot. Google leert dat het morgen de geboortedag van de Profeet is, een nationale feestdag. Nu maar hopen dat dat niet betekent dat dan alles gesloten is.

Dat blijkt gelukkig niet het geval. Het is lekker druk op straat en alles is gewoon open. We brengen de dag door zoals de meeste rustdagen, met een bezoekje aan de markt, aan saptentjes en aan heel veel theeshopjes.

In de loop van de dag rijden Tomás en Josh Dongola binnen. Josh kennen we nog van onze laatste dag Tanzania, Tomás komt vanuit het noorden. Die laatste weet ons te vertellen dat we nog wel meer fietsers gaan tegenkomen. De meeste fietsers die Afrika van noord naar zuid doorkruisen starten in de maanden oktober t/m januari in Caïro, en hij weet sowieso al een setje op te noemen dat hij onderweg is tegengekomen.

We kijken nog eens goed naar de route voor de komende maand, en zien dat we ruim de tijd hebben tot ons vliegtuig naar Nederland vertrekt. We besluiten nog een extra dag in Dongola te blijven. Josh en Tomás hebben ook een rustdag, dus we ontbijten en dineren samen. Stel je vooral niet teveel voor van dineren, trouwens. In Dongola sluit alles supervroeg, dus het is gewoon een broodje falafel. Of twee.

Aan het einde van de dag maken we het jongetje dat in het restaurant naast het hotel werkt nog even blij. Wilchard heeft foto’s van hem gemaakt en als hij ze laat zien krijgen we een brede glimlach terug. Als we daarna even snel contact leggen via Facebook en de foto’s zijn kant op sturen, wordt die glimlach nóg breder. Sowieso hebben we leuk contact met de mensen daar. Er werkt een man die behoorlijk Engels spreekt en met wie we iedere keer als we thee drinken even contact hebben, en de theemevrouw, die Jamma heet en uit Ethiopië komt vindt het enorm leuk als Wilchard in zijn beste Arabisch voor de zoveelste keer thee komt bestellen: itneen shay min fadlik.

Verder noordwaarts rijden we, en de wind is helaas niet gedraaid. Ik verklap maar alvast dat hij dat in ieder geval tot Aswan in Egypte ook niet zal doen. De enige variabelen zijn dus de windsnelheid en hoe noordwaarts we fietsen. Nou, die eerste dag dus alleen maar. Gelukkig waait het de eerste twee uur nog niet al te flink, zodat we in de koelte nog 35 km kunnen wegtrappen. We hebben namelijk een afspraak bij kilometerpaaltje 598, en dat is een totaalafstand van 109 km. Ruben en Mercedes zitten in dezelfde Afrika whatsapp groep, en zo kwamen we erachter dat we elkaar gaan kruisen.

Er blijken inderdaad behoorlijk wat mensen dicht achter elkaar te fietsen. De eerste die we zien is een andere Ruben, ook uit Spanje, maar die lijkt haast te hebben. Bij een theestop, als we de eerste 10 km flinke tegenwind gehad hebben, zitten twee Canadezen. Dit blijken leuke lui, ietsje ouder dan wij maar niet veel, en we kletsen zo anderhalf uur weg. Niet heel verstandig met kilometerpaaltje 598 in het achterhoofd, wel heel leuk.

Gedurende de dag slinkt de kans op het bereiken van kilomete 598 bij daglicht. Niet alleen hebben we die anderhalf uur weggekletst, maar de wind weet van geen ophouden, en ik haal gemiddeld niet eens 10 km per uur. Meestal blijft mijn snelheidsmeter ergens tussen de 8 en 9 km steken. Als het dan ook nog steeds warmer wordt, en ik vermoeider raak, lijken 11,5 uur daglicht niet voldoende. Tot kilometer 85. Terwijl ik uit zit te puffen tegen een paaltje, stopt er een pick-up die vanuit het noorden komt. Of hij iets voor ons kan betekenen. Hij blijkt speciaal voor ons gedraaid te zijn en eigenlijk noordwaarts te rijden, naar een cafetaria verderop, dus we laden snel onze spullen in en besparen zo 11 km. Hier kunnen we ook weer even iets kouds drinken, want van het water in de flessen die we bij ons hebben kun je thee zetten.

Opeens wordt 598 weer haalbaar. Nog maar 13 km te gaan in bijna twee uur. En het landschap wordt ook mooier. Het was al fraai, maar uitgerust en opgefrist kan ik er toch meer van genieten.

Tegenover het cafetaria liggen twee opgetuigde kamelen. In Egypte zou dat zijn zodat de argeloze toerist een ritje aangesmeerd kan worden, hier hebben de twee berijders thee gedronken. Ietsje later stappen ze op en rijden weg.

Ruben en Mercedes zijn al eerder gearriveerd en druk bezig hun tent op te zetten. Wij maken het ons gemakkelijk en slepen twee bedjes een verlaten ruimte in. Tomás had al verteld dat ze hier lekkere vis klaarmaken, uit de Nijl ietsje verderop, dus die laten we ons al kletsend goed smaken. In de verte komt de maan op, rood door al het zand in de lucht.

De wind is wel iets in kracht afgenomen gedurende de nacht, dus het eerste uur kunnen we nog redelijk doorrijden. Daarna neemt hij echter weer for toe. Het landschap is nog steeds erg fraai.

In de woestijn wordt druk gewerkt. Er zijn verschillende open mijnen waarvan we niet weten wat er gewonnen wordt, en regelmatig komt er een Soedanees met een metaaldetector naar de weg toe gewandeld.

En dan gebeurt het wonder, de weg draait 45 graden. Opeens rijden we met gemak 15. We tikken zelfs ergens, als we hem even in de rug hebben, de 27 aan. Zo voelt het dus voor al die fietsers die van noord naar zuid fietsen! Ruben had gemeld dat we onderweg regelmatig plekken zouden passeren om iets te drinken. Dat klopt vast als je de wind in de rug hebt, maar met tegenwind is 30 km drie uur fietsen…

Enfin, met de 25 km wind opzij halen we onze eindbestemming prima. Maar als we aankloppen bij het enige hotel dat Wawa rijk is, is er niemand aanwezig. De uitbater van een winkeltje weet te melden dat we gewoon naar binnen kunnen en daar kunnen wachten, er komt echt wel iemand. Als we 45 minuten later op het punt staan terug te gaan naar dat winkeltje komt er een oude Toyota Corolla aanrijden. Het is de eigenaar. Hij is vast gebeld, want nadat hij ons een kamer heeft toegewezen en heeft uitgelegd waar alles is, vertrekt hij weer. We trekken twee blikjes tonijn open en pakken de broodjes die we onderweg gekocht hebben. Heerlijk, even lekker bijkomen voordat we onder de welverdiende douche springen.

Van Wawa naar Abri is een kort dagje. 45 Km waarvan alleen de laatste met forse tegenwind. We volgen de Nijl en rijden net ten oosten van de groene strook.

Abri is een leuk klein stadje waar we inkopen kunnen doen voor de laatste dagen Soedan. Volgens de weersvoorspelling gaat het minder hard waaien, maar we bereiden ons er voor de zekerheid op voor dat we de 185 km naar Wadi Halfa niet in twee dagen gaan redden.

5 thoughts on “Één grote zandbak, en een klein beetje wind

  1. Je bent er echt op gekleed Wilchard. Wederom prachtige foto’s, vooral die van de slager met mooi tegenlicht. Chapeau.

  2. Wat een rust in de woestijn en zooo mooi!! Gezellig kletsen met mensen die je al vaker hebt gezien, mooi! Die foto’s allemaal prachtig!
    Wat maak je er iedere keer weer een prachtig verhaal van Wendy, het is genieten om het te lezen! Bedankt!

Comments are closed.