De politie is je beste vriend

We fietsen Abri uit. Er staat ons weer 180 km woestijn te wachten, met onderweg twee plaatsjes waar winkeltjes en restaurantjes zitten, en nog twee cafeteria’s bij elkaar.

De eerste 30 km, waarbij we de Nijl nog volgen, gaan vlot. Het waait zo goed als niet en het is nog lekker fris, dus voor we het weten zitten we thee te drinken bij een cafetaria in het eerste plaatsje.

Meteen daarna draaien we weg van de Nijl. Nog steeds zo goed als geen wind en niet al te warm, maar het landschap verandert. We rijden nu weer echt door een woestijn, maar een woestijn met rotspartijen. Over deze 30 km doen we wat langer vanwege de fotostops.

Op de volgende stop zitten opeens extreem veel restaurantjes, cafeteria’s en winkeltjes. Die blijken daar te zitten omdat er goud gewonnen wordt. In de grond zijn vierkante gaten uitgegraven die zijn gevuld met water. Hierin zitten mannen een schaal met water en gruis rond te draaien. Ik zie enkel modder, geen goud. Tussen de gaten staan machines die stenen verbrijzelen. Het resultaat gaat in die schalen. Overal stijgt rook omhoog. We wanen ons in het wilde westen. Net als Wilchard terug wil lopen naar het restaurant waar onze fietsen staan, komt er iemand vertellen dat er niet gefotografeerd mag worden. Te laat….

Na de gouddelvers wordt het pas echt fraai. De weg snijdt door een landschap met rotspartijen en zand, in alle tinten bruin en geel. We gaan niet hard, want alhoewel we al foto’s genoeg hebben is het toch zonde om dat ene plaatje niet te schieten.

En zo komen we bij de twee cafeteria’s. Ondanks de vele foto’s is het nog vroeg in de middag. Waar we voordat we vertrokken nog rekening hielden met mogelijk drie dagen fietsen, besluiten we nu nog wat verder door te rijden zodat de tweede dag wat minder lang wordt. 20 Km verderop lopen twee tunnelbuizen onder de weg door. De weg is hier wat hoger dan de omgeving, waardoor we mooi uit het zicht zitten als we de tent strak tegen de buizen zetten. Er zit trouwens één nadeel aan weinig wind, of beter gezegd ontelbare nadelen: vliegen. Er moet ergens een vliegenverzamelplaats zijn waar ze heen gaan bij veel wind en als het donker is, want dan zie je ze niet. Ze hebben vast een belangrijke functie, maar in ieder geval als hobby om ons avondeten te bederven. De blikjes tonijn blijven dicht, het wordt brood met een eitje in de tent. Waarna we weer genieten van de zonsondergang en sterrenhemel en op tijd in slaap vallen.

Op dag twee hebben we nog maar 75 km te gaan. Het laatste stuk gaat naar beneden, waardoor je pas echt een gevoel krijgt voor de uitgestrektheid van de woestijn.

We rijden al op tijd Wadi Halfa binnen. Dit ligt aan de zuidkant van het Nassermeer, een lang kunstmatig meer dat is ontstaan toen in de jaren zestig in de Nijl de Aswandam bij, jawel, Aswan werd gebouwd. Een gevolg was dat een fors aantal dorpen onder water kwam te staan. Zo ook Wadi Halfa. Het oude Wadi Halfa dan, in het huidige, opgetrokken aan de rand van het meer, woont een deel van de bevolking uit het oude dorp.

Terwijl we op weg zijn om inkopen te doen voor de volgende fietsdag, worden we aangesproken door een Soedanees. Waar we vandaan komen. Als we Nederland antwoorden, worden we aangesproken in vlekkeloos Nederlands. Hij blijkt twintig jaar geleden business management gestudeerd te hebben in Rotterdam, en heeft daar de tijd van zijn leven gehad. De kou mist hij niet, het uitgaansleven wel. En als echte student heeft hij ook bijgebeund tijdens zijn studie. Dat mocht officieel wel niet, maar zelf denkt hij dat hij met name daar goed Nederlands geleerd heeft. Hoe dan ook, ik zou willen dat mijn Arabisch nog zo goed was als zijn Nederlands!

De economie in het dorp draait om de grens. Er zijn ontelbaar veel busmaatschappijen die je zuidwaarts naar Khartoum of noordwaarts naar Aswan en Caïro willen brengen. En mocht je geen zin hebben in zo’n lange busreis, dan kun je in ieder geval het stuk tussen Wadi Halfa en Aswan een paar keer per week met een ferry afleggen. Naast die bussen en boten met mensen heb je dan ook nog de vrachtwagens met goederen. Dit alles zorgt weer voor mannetjes die kunnen helpen aan de grens (zogenaamde fixers), mannetjes die geld kunnen wisselen (alhoewel dat eigenlijk overal in Soedan wel kan mits je van je dollars af wil) en relatief veel hotelletjes. Die mannetjes die kunnen helpen aan de grens zijn er trouwens omdat deze grensovergang bekend staat om zijn moeilijkheidsgraad. Als fietser of buspassagier gaat het nog en moet je vooral geduld hebben, maar als je met je eigen auto de grens over gaat moet je die uit- en weer invoeren, en dat schijnt hier drama te zijn.

Wij zetten de wekker in ieder geval nog wat vroeger dan normaal zodat we hopelijk, zelfs als het waait, voor de bussen bij de grens zijn. Om kwart over vijf, als het nog donker is, zetten we onze fietslichten aan en rijden we Wadi Halfa uit. Toepasselijker kan het niet. De oproep tot gebed klinkt overal om ons heen, en we worden achtervolgd door het geroep van een vrachtwagenchauffeur die bij zijn keukentje water zit te koken. Come drink tea, come drink tea! We zullen de Soedanezen echt nooit vergeten …

Het waait zo goed als niet, en om een paar minuten over zeven hebben we de 36 km naar de grens al afgelegd. Om er daar achter te komen dat de grens niet, zoals ze op het busstation zeiden, om acht, maar om negen uur open gaat. Terwijl we wachten kletsen we wat met de grensbewaking, delen we snoepjes en dadels uit en drinken we thee.

Om kwart voor negen, net voordat de eerste bus arriveert, worden we gewenkt. Als we willen mogen we alvast naar binnen. Dat laten we ons geen twee keer zeggen, en we rijden onze fietsen de hal in waar we de formaliteiten af moeten wikkelen. Achter een loket zit een mannetje, en we krijgen twee formulieren overhandigd die we als we ze in hebben gevuld aan hem geven. Dan blijkt dat mijn Arabisch weer niet alleen handig is bij het maken van contact, want hij spreekt geen woord Engels. Ik moet wat vragen beantwoorden die ik ook net op het formulier heb ingevuld maar waarvan hij het antwoord niet kan lezen. Plus natuurlijk het obligate ‘hebben jullie kinderen’, waarop we Rolf en Sofie weer tevoorschijn toveren.

Dan mogen we wachten, want de bemanning van loketje 2, 3 en 4 is nog niet ter plekke. Het is inmiddels wel 9 uur en de eerste bus is gearriveerd, maar ach. Ik had al gelezen dat deze grens lang kon duren en enkele bussende backpackers die we bij Abri spraken hadden er 8 uur over gedaan, dus we maken ons niet druk. Dit in tegenstelling tot een toerist die in één van de bussen zit en die ik later zelfs hoor vragen ‘waarom’. Naast de bussers lopen er inmiddels ook wat fixers rond. Die het allemaal maar wat leuk vinden dat wij hier op de fiets zijn, en ons later ook gratis en voor niks een handje helpen.

10 Minuten later verschijnt meneer loketje 3, aan wie ik 50 SDG pp overhandig. Een soort vertrekpremie. Een van de fixers moet hem helpen bij het intypen van onze gegevens, want ook hier geen Engels. Ondertussen sta ik te kletsen met een mevrouw die helemaal naar Caïro gaat en het maar wat interessant vindt dat wij op de fiets rondreizen.

Bij de andere loketjes is nog niemand, dus we wachten weer. Als er een man aankomt wijst fixer 1 me erop dat hij bij loketje 2 hoort, en zo sta ik ook hier vooraan om per persoon 82 SDG te betalen. Deze kan wel Engels lezen, maar moet onze voornamen en achternaam op een apparaat intypen zoals je vroeger een sms’je typte op een telefoon: ieder cijfer staat voor een aantal letters, en afhankelijk van hoe vaak je snel achter elkaar een cijfer indrukt type je een van die letters. Je snapt al dat dat met Wendy Hubertina Cornelia Cuijpers en Gerardus Cornelius Antonius Steenbakkers, even kan duren, zelfs als alle letters in één keer goed gaan, wat natuurlijk niet het geval is.

Wilchard loopt intussen alvast met de fietsen een tweede hal in, waar onze bagage gecheckt zal worden. Maar de bagagecontroleur zit waarschijnlijk ergens te mens-erger-je-nieten met de manier van loketje vier, want beiden laten op zich wachten. Fixer twee gaat op zoek, en treft de meneer van loketje vier nog diep in slaap aan, waar hij snel een eind aan maakt. Ondertussen sta ik te babbelen met fixer 3, die onze paspoorten aan meneer loketje vier overhandigt, zodat ze als eerste worden afgestempeld.

Nu kan ook ik door naar de bagagecontrole. Tenminste, naar de wachtruimte, want er is nog niemand anders dan fixer 2, de twee klanten van fixer 2 en wij. Degenen die vriendjes zijn geworden met een fixer hoeven bagagecontrole niet al te serieus te nemen, blijkt als mannetje vijf verschijnt, want hij neemt genoegen met een vluchtige blik op onze geopende tassen en onze beschrijving van wat er in die tassen zit. Stickertjes op de tassen, en we mogen door. Naar een vier-ogen-check, want net buiten de deur wil iemand met een stift de stickers op onze tassen aftekenen. Op onze voortassen hebben we geen stickers gekregen, maar dat is geen probleem. Dan nog een meneer die wil zien dat we betaald hebben en dat er een stempel in onze paspoorten staat, en we zijn klaar. Het circus heeft een klein anderhalf uur geduurd. De Soedanese bevolking krijgt van ons een tien met een griffel, nergens zijn we zo gastvrij ontvangen als hier, de Soedanese grensformaliteiten, zowel bij binnenkomst als bij vertrek, staan hiermee in schril contrast. Overal drukken mensen ons op het hart dat de berichtgeving over Soedan in de westerse media veel te negatief is en dat het echt de moeite waard is om naar Soedan te komen. Dat kunnen wij alleen maar beamen.

Maar we zijn er nog niet, we mogen door naar de Egyptische douane. Daar hebben ze volgens mij nog nooit meegemaakt dat er iemand zo snel door de Soedanese controle heen is, want de poort zit nog stevig op slot. De sleutel wordt gehaald, onze temperatuur wordt opgemeten (dat is dan 30 EGP pp) en we mogen een soort entrance fee betalen van 100 EGP pp. Dit bedrag komt overeen met wat ik op internet gelezen heb, maar als Wilchard mij later de bonnetjes laat zien staat daar geen 100 maar 50 pond op. Enfin, we mogen naar binnen.

De wachtruimte bij de douaniers is één grote bende, de grond ligt bezaaid met van alles en nog wat. Na een blik op de paspoorten word ik naar buiten gewezen, waar ik het visum moet kopen. Ik moet er trouwens niet aan denken dat je, als je met een bus bent, waarschijnlijk eerst lang in de rij hebt gestaan alleen om te horen dat je eerst een visum moet kopen en dan weer achter aan mag sluiten. Bij iedere open deur vraag ik waar ik moet wezen, en iedereen stuurt me verder weg. Uiteindelijk moet ik het kamertje hebben dat het verst van de douaniers verwijderd is. Hier zit Bank Masr, de staatsbank, waar ik 50 dollar overhandig (verreweg de goedkoopste visa tot nu toe) en twee visastickers meekrijg.

Terug bij de douaniers mogen we nog ieder een formuliertje invullen en wordt het visum in het paspoort geplakt. Stempel erbij en klaar.

Het landenstaatje voor Egypte en alle voorafgaande landen vind je hier.

Al met al zijn we dik twee uur kwijt met de twee grensovergangen, exclusief de twee uur wachttijd omdat we veel te vroeg waren. En dat is maar goed ook, want we moeten nog 30 km fietsen eer we een ferry op mogen voor een kort tochtje naar Abu Simbel. Het is vandaag donderdag, en als we die ferry zouden missen moeten we tot zaterdag wachten, want op vrijdag zit de grens dicht en vaart de boot niet. Nu zijn we wat provisie betreft op het ergste voorbereid, maar het is toch geen pretje om een hele dag in de woestijn te hangen.

Onderweg naar het veer lunchen we en kruisen we wegen met twee Franse fietsers op ligfietsen. De boot vaart net weg als we aan komen rijden, dus we mogen wachten tot de volgende vol zit. Eerder vertrekken we niet. Uiteindelijk varen we 45 minuten later het Nassermeer op, met de zeven gearriveerde vrachtwagens zitten we vol. Het is inmiddels half 3, en van de bussen die samen met ons om 9 uur bij de grens waren, is nog geen spoor te bekennen. Later komen we de man die het waarom wilde weten nog tegen, en de grensovergang heeft bij hem 7 uur geduurd. Dan gaat het toch sneller op de fiets.

Een uurtje duurt het eer we Abu Simbel aan de overkant bereiken. We betalen een vrijwillige bijdrage van 50 pond (€2,50) en rijden Abu Simbel in. Je merkt meteen dat Egypte minder afgesloten is van de buitenwereld en dat het minder arm is. Restaurantjes en theetentje zijn netter en groter, en dankzij de tempels die hier staan is het hotelaanbod ook fors beter, zij het niet heel groot of goedkoop. De meeste toeristen, en zeker degenen die niet op een duur hotel zitten te wachten, bezoeken de tempels via een dagtocht vanuit Aswan. Met als gevolg dat het rendement op Wilchards onderhandelingskunsten hier groot is, maar we nog steeds meer betalen dan waar dan ook sinds Botswana.

We staan weer eens op tijd op. Terwijl de zon opkomt lopen we naar de tempels. Het is nog stil op straat, enkel bij de haven staat een lange rij vrachtwagens. Bij de entree van de tempel vragen we of we met hetzelfde kaartje later op de dag nog een keer naar binnen mogen. Die vraag heeft hij nog niet eerder gehad. Zelf vindt hij het zo te zien wel prima, maar hij moet het toch even aan de manager vragen. Als we naar buiten gaan moeten we het nog maar eens vragen.

Er zijn nog wat meer toeristen, grotendeels in groep, die ook allemaal in Abu Simbel geslapen hebben en nu wachten tot de eerste zonnestralen de tempel verlichten. Ze vallen volledig weg tegen de grootsheid van de vier beelden van Ramses II. Ook de ernaast gelegen tempel van Nefertari, zijn vrouw, lijkt in vergelijking niet heel groot, tot je die weer vergelijkt met de afmetingen van de gemiddelde toerist. Beide tempels waren er bijna niet meer geweest. Ze stonden aan de oever van de Nijl, om indruk te maken op reizigers op die rivier, maar met de komst van de Aswandam zouden ze volledig onder water komen staan. Zouden, want de tempels zijn wat hoger op de oever en iets meer landinwaarts volledig gereconstrueerd.

Wij hebben het noodrantsoen voor het geval we te lang over de grens zouden doen gisteren niet aan hoeven te breken, dus we kunnen op een bankje mooi ontbijten onder het toeziend oog van Ramses. Langzaam stroomt het terrein zo goed als leeg. De toeristen die in Abu Simbel slapen moeten terug naar hun hotel voor ontbijt, en de dagjesmensen uit Aswan moeten nog komen.

We lopen naar buiten en vragen wat de manager van een tweede bezoek vond. Die heeft echter wat relaxtere werktijden dan zijn medewerkers, want hij is nog niet gearriveerd. Een collega op de achtergrond vindt het echter prima en heeft blijkbaar voldoende overwicht, en zo kunnen we later op de dag nog een keer terug.

Maar eerst thee. Hier weer echte theehuizen, gerund door mannen. In Soedan werden de kleine mobiele theeshopjes steevast door vrouwen bemand. Het is grappig om te zien hoe anders mensen hier zijn. In Soedan was iedereen redelijk rustig, gereserveerd. Hier is het een geschreeuw van jewelste bij het potje domino. Veel theater, want bij aanvang van het volgende potje zijn het weer de beste vrienden.

We doen inkopen voor de drie fietsdagen maar Aswan, eten ’s middags een broodje falafel en ’s avonds vis en lopen nog een keer het tempelterrein op waar we ons met name vermaken met kijken naar andere toeristen.

Als we ’s ochtends de deur open doen is het niet al te warm en waait het, grofweg uit de richting die wij in moeten slaan. Dat was ook voorspeld, maar op de een of andere manier hoop ik, als de voorspelling me niet uitkomt, toch altijd dat de werkelijkheid anders is. Er zit niets anders op, we rijden Abu Simbel uit en de woestijn in. Na 20 km komen we bij ons eerste politie checkpoint. Laat ik meteen maar even uitleggen waarom dat relevant is. Toen in de jaren ’90, zo’n 20 jaar geleden, een paar aanslagen werden gepleegd, heeft de Egyptische overheid konvooien ingesteld. Dat houdt in dat je je als toerist over lange afstanden altijd in een soort kolonne verplaatst, vergezeld door politie. Nu zitten de meeste toeristen in een auto of bus, en die kunnen wij op de fiets niet bijhouden. Dus daar hebben ze op bedacht dat je dan privé-begeleiding krijgt. Er rijdt een politieauto voor of achter je, en als je pech hebt mag je niet fietsen en laden ze je fiets achterin de politie-pick-up. Op sommige routes mag je wel gewoon zonder begeleiding rijden, en op weer andere (maar die rijden wij niet) moet je sinds kort de bus nemen. De 280 km van Abu Simbel naar Aswan mag door bussen zelfstandig afgelegd worden, over fietsers doen gemengde verhalen de ronde, dus we zijn benieuwd.

We worden staande gehouden, mijn naam wordt gevraagd en waar we vandaan komen. Op de achtergrond hoor ik iemand iets in een walkie-talkie roepen. Itneen, agala, Hulanda. Twee fietsers uit Nederland. En we worden doorgezwaaid. Geen begeleiding, niks. De wind komt nu nog grotendeels van opzij, dus we hebben een redelijk maar niet geweldig rap tempo. Op onze enige afslag tot Aswan slaan we rechtsaf, en de resterende 230 km zullen we hem redelijk recht van voren hebben. Bij de politiepost op de kruising wordt ons niet eens wat gevraagd, we worden enkel toegewuifd en krijgen vier duimpjes.

Gelukkig zit hier nog een tankstation met winkeltje en theeshopje, dus we pakken een uitgebreide stop. De rest van de route gaat door woestijn en zullen we, anders dan 3 cafetaria’s en een paar politieposten, niets tegenkomen. En dat klopt ook, we zien zelfs geen bergje. In de verste verte is er niks dat de wind een beetje kan breken, dus de tweede helft van de dag gaat wat langzamer dan de eerste helft. Wel worden we nog even gestopt door een passerende politieauto. Of alles goed gaat. Als het antwoord ja is mogen we doorfietsen.

Tegen drie uur komen we aan bij het cafetaria dat ik bedacht had als overnachtingsplek. Hier vragen twee ongeïnteresseerde jongetjes zeven keer de prijs voor een flesje cola. Nu vind ik een toeristenopslag, al helemaal op een plek die het moet hebben van de toeristenbusjes die op en neer rijden tussen Aswan en Abu Simbel, niet zo’n probleem, maar dit slaat nergens op. We besluiten door te rijden, 8 km verderop moet nog een restaurantje zitten. Zo ver komen we echter niet. We passeren namelijk eerst nog een politiepost. Zonder dat we iets vragen wordt gemeld dat we ons op kunnen frissen en dat 100 meter verderop een cafetaria zit waar we kunnen eten. Op onze vraag of we de tent misschien ook op mogen zetten, wordt meteen naar een geschikte plek gezocht. En als we iets nodig hebben, wat dan ook, moeten we het meteen melden.

We zetten de tent onder een afdakje, om de hoek van de politiepost. De kans op regen is nihil, maar het voelt wat beschermder. De wind kan echter gewoon overal bij en 1/2 cm onder het laagje zand zit steen, dus zodra de binnentent staat leggen we zo snel mogelijk al onze tassen binnen. Die waait niet meer weg. Na een kort gevecht met de buitentent kunnen dan ook de matjes opgeblazen worden, en onze plaats voor de nacht is weer compleet. Als ik vraag waar het toilet is, word ik meegetroond naar binnen. Net voor de deur van de toiletruimte beseft de dienstdoende kapitein echter dat ik een vrouw ben. Of ik maar even buiten wil wachten. Een halve minuut later mag ik weer naar binnen. Iedereen is de badkamer uitgebonjourd en ik heb het rijk voor mij alleen.

We slapen prima. Wel wat lichter dan in een hotelkamer, maar de nacht is ook langer dus uiteindelijk meer dan goed genoeg. Als we in de ochtend wegrijden is het nog zo goed als donker. Des te vervelender zijn de honden die het cafetaria naast de politiepost bewaken. Gelukkig blaffen ze, dus horen we ze in ieder geval, maar relaxt is het allerminst. Als we stoppen stoppen zij met rennen, en als we een gooibeweging maken zijn ze voor even weg, maar ze blijven maar komen. Vooral vervelend omdat je niet weet wat ze gaan doen. Ze lijken niet agressief, maar dat lijken ze nooit tot ze aan je been hangen. In dit geval zijn ze het inderdaad niet en is hun doel ons ver weg jagen van het cafetaria. Dat komt goed uit, want we willen ook weg.

Een auto met agenten van onze overnachtingsplek haalt ons in. Of alles goed gaat. Ja hoor, en ze rijden verder. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of er komt ons een politieauto tegemoet gereden. Hebben we hulp nodig? Nee hoor, dank je wel, en hij draait om. De tegenwind is er niet minder om geworden, dus we vorderen langzaam. Wat ervoor zorgt dat diezelfde politieauto twee uur later weer verschijnt. Gaat het? Ja hoor, maar het waait nogal. Daarmee hebben ze een verklaring waarom we nog niet op het volgende politiepunt zijn, dus kunnen ze weer omdraaien. We worden ingehaald door een Zwitser op een motor die al drie jaar onderweg is en nu bezig is met de laatste etappe van zijn wereldreis. Terwijl we staan te kletsen, komt er weer een politieauto aan. Hebben we problemen dat we stil staan? Nee hoor, we staan gewoon wat te kletsen. Oh, kletsen, dat kunnen zij ook, dus ze komen gezellig meepraten. Het is alleen wat minder mee en meer praten, want Engels ho maar. Zoals trouwens bij iedere politiepost, maar mijn roestige Arabisch van drie weken geleden is inmiddels behoorlijk soepel geworden, dus we vermaken ons opperbest. Als ze horen dat we afgelopen nacht bij hun collega’s overnacht hebben, moeten we natuurlijk de komende nacht bij hen overnachten. Nu hadden we al bedacht inderdaad bij hun politiepost te stoppen, maar dan om daar een pick-up staande te houden voor een lift. Ook dat blijkt geen probleem, we zijn meer dan welkom, het is nog 7 km. Zij rijden alvast vooruit, wij volgen in een fors lager tempo.

Zodra we komen aanrijden worden we naar de overkant van de weg gedirigeerd en gaat de slagboom open. Onze fietsen mogen in de schaduw staan, wij moeten mee lunchen. Enorm gastvrij en ze hebben ook nog eens een goede kok. Witte kaas met tomaat en een bonenschotel die zelfs Wilchard erg lekker vindt. Nog even op de foto, en als ik aangeef naar de weg te willen lopen om te kijken naar geschikte auto’s, wordt me snel duidelijk gemaakt dat zij wel zullen zorgen voor transport.

Al zeker anderhalf uur hebben we niets geschikts meer voorbij zien komen, maar nu nadert binnen vijf minuten een pick-up. De chauffeur, Ahmed, wordt ‘gevraagd’ ons mee te nemen, en in een land als Egypte zeg je geen nee tegen de politie. Zijn eigen lading wordt herschikt, onze fietsen en tassen gaan achterin en zo rijden we al snel met een noodgang richting Aswan. Ahmed vindt wat aanspraak wel gezellig. En mijn Arabisch is een bonus, want ook hier geen Engels. Hij heeft een opleiding rechten gedaan, maar er is hier geen werk dus hij pakt alles aan wat hij kan vinden. Of wij toevallig geen werk voor hem hebben in Nederland. Wat dan ook, hij pakt alles aan. Als hij hoort dat ik in de IT zit bij een bank vraagt hij of we misschien nog bankbediendes zoeken, maar ik moet hem helaas melden dat het internetbankieren hun plaats heeft ingenomen. En naar zijn broer, die in zijn onderhoud voorziet als reparateur van airconditionings, is er in een koud land als Nederland ook al geen vraag. Ahmed blijft er vrolijk onder, en als we een uur later uitstappen in Aswan, hebben we een uitnodiging om bij hem in Luxor te komen eten op zak.

Aswan is weer even wennen. Het is er druk en alles rijdt door elkaar. In plaats door de Datsun Cherry word je hier gesneden door de Peugeot 504, in de normale en de break versie. En moet je niet remmen voor een Peugeot, dan wel voor een deeltaxi die iemand moet laten in- of uitstappen. Maar we wennen snel, en zo staan we opeens te wachten voor ons eerste verkeerslicht sinds Nairobi. We vinden een hotelletje en snellen naar de McDonald’s. Drie BigMac-menu’s, een milkshake, een McFlurry oreo en twee caramel sundae’s later (voor ons samen, niet per persoon) gaan we weer richting hotel, waar ons onze eerste warme douche in dik twee weken wacht.