Op naar de 1.000 heuvels van Rwanda

In Mwanza blijven we twee dagen. Enerzijds omdat het een leuk stadje is, anderzijds omdat we behoorlijke afstanden zonder rustdagen afleggen in Tanzania. Want een rustdag is toch fijner in een iets luxere hotelkamer of op een plek waar wat te doen is.

Het schijnt, na Dar es-Salam, de tweede stad van het land te zijn, maar het voelt voor ons als een provinciestadje met wat hoogbouw (als in meer dan twee verdiepingen) en zelfs een heuse verkeersopstopping op de maandagavond. Het moet niet gekker worden.

De markt is erg leuk, met een vlees-, vis-, groenten-, kruiden- en granenafdeling. In de straatjes eromheen staan moskeeën en Indiase tempels, en worden kleren verkocht. Deels nieuw, deels tweedehands. De nieuwe hangen gewoon in een kraampje of winkeltje, voor de tweedehandsverkoop lijkt het een soort veiling. De verkopers zijn omringd door mensen en prijzen met luide stem een broek, shirt of jurk aan. Als je geïnteresseerd bent krijg je het artikel toegeworpen en wordt het volgende kledingstuk de lucht in gehouden. Dat gaat zo uren door. Het is het drukst bij de tweedehandsafdeling.

De bijnaam van Mwanza is Rock City, en als je Mwanza nadert en er rondloopt zie je al snel waarom. Stapels enorme rotsblokken liggen overal verspreid, zowel rondom als middenin de stad. Als we tussen de kledingkraampjes lopen horen we tussen de verschillende muzieksoorten door opeens een geluid dat klinkt als het slaan op metaal. Tussen de rotsen op een heuvel midden in de stad zijn inderdaad metaalbewerkers aan het werk. Bijna zonder uitzondering maken ze nieuwe producten van oude conservenblikken.

Aangezien Mwanza aan het enorme Victoriameer ligt, is er ook een vismarkt. Hier liggen zakken vol ieniemienie gedroogde visjes te wachten totdat ze geladen worden. De grote vissen zoals de nijlbaars worden allemaal geëxporteerd. De visboer in Nederland mag dan wel uitstralen dat er enorm hygiënisch gewerkt wordt, maar dat is zeker niet het geval in de eerste stadia die een gevangen vis hier doorloopt. Ach, wij eten er hier geen visje minder om en zijn tot nu toe ook nog niet ziek geweest (afkloppen).

We vallen hier ook weer in de ons welbekende voedselval. Opeens kunnen we Chinees en pasta bestellen, wat we prompt doen om weer eens wat gevarieerder te eten. Om voor de zoveelste keer te concluderen dat dat het toch net niet is en we beter gewoon de lokale gerechten met kip of vis kunnen kiezen. Of chipsi mayai.

We rijden weer verder. Het is dit keer geen zondag maar wel offerfeest, wat betekent dat de moslims er dit keer op hun paasbest bijlopen. Vorig jaar waren we tijdens dit feest op Sumatra en werden overal geiten geslacht. Hier zie je er, anders dan de nieuwe kleren, niets van.

Voor het eerst sinds we in Afrika zijn is het enorm benauwd, zelfs al in de vroege ochtend. Het regenseizoen schijnt dit jaar een paar weken vroeger te zijn dan anders, en dat merken we. Het zweet gutst over mijn gezicht naar beneden. Na een kilometer of 20 besluiten we onze helmen af te doen omdat we onze hitte anders niet kwijt kunnen, met name als we omhoog moeten. Dat scheelt een boel. Het blijft benauwd, maar de hitte kan weg van ons hoofd. Voortaan iedere dag maar beginnen met helm en, als het te benauwd is en het verkeer het toelaat, de helm achterop binden.

Op de route van vandaag moeten we een zijarm van het meer over met een veer. Dat schijnt 1x per half uur te gaan, en we lijken geluk te hebben want als we naderen staat het op het punt van vertrek. Snel kaartjes kopen en dan kunnen we nog mee. Maar we hebben buiten de Tanzaniaanse ticketverkoper en de moderne techniek gerekend. Meneer de verkoper heeft geen haast, al helemaal niet met het vinden van wisselgeld. En als dat geregeld is moeten we door de geautomatiseerde slagboom. Je ticket, met daarop een QR-code, wordt voor een lezer gehouden en daarmee gaat de slagboom open. Het lijkt afgesteld op 20 meter lange vrachtwagens en je hebt dus heel ruim de tijd om eronderdoor te fietsen. Dat zou niet zo’n probleem zijn als we niet met zijn tweeën waren, wat we gelukkig wel zijn. Nummer twee moet namelijk wachten tot de slagboom gesloten is voordat hij aan de beurt is. De wachttijd blijkt niet alleen ruim voldoende voor die lange vrachtwagen, maar ook voor het ophalen van de laadklep. We wachten dus een halfuurtje. Wel tijd genoeg om te zien dat de vraagprijs en de prijs op het ticket afwijken. Een klein beetje maar, maar dan toch. Uiteindelijk zou het ook in het voordeel van de ticketverkoper geweest zijn om vaart te maken, want nu hebben we tijd genoeg om het verschil terug te halen.

De eerste twee dagen Mwanza uit hebben we geluk. Het is weliswaar benauwd, maar de voorspelde regen blijft uit. Op dag drie valt daarentegen genoeg regen voor een week of twee. En niet in de namiddag, als we onze bestemming bereikt hebben, of om half zeven ’s ochtends zodat we kunnen besluiten een dagje in Geita te blijven. Nee, het begint een uur na vertrek, en het is alweer een tijdje geleden dat we zo ver hebben moeten fietsen om een dorpje tegen te komen waar we kunnen schuilen. Bergop hebben we de extra weerstand van het water, dat op sommige plaatsen als een klein riviertje naar beneden stroomt. Na 15 km fietsen door de regen kunnen we gelukkig ergens thee met chapatti krijgen. Een jongen die ook staat te schuilen vindt het maar wat interessants, twee buitenlanders, en komt even zijn Engels oefenen. Even is hier het sleutelwoord. Na ‘give me some water’ tegen de uitbater van het theetentje heeft hij minimaal vijf minuten nodig om bij te komen van het lachen en zijn Engels te vertalen voor de rest van het gezelschap. Als we na 45 km een fatsoenlijk hotel zien besluiten we vandaag maar wat eerder te stoppen.

Gelukkig blijft het de dag erna droog. In het plaatsje waar we stoppen is een enorm drukke markt. Naast de standaard kledingafdeling, restaurantjes en groenten/vlees/fruit hebben ze hier ook een afdeling voor heel vers vlees. Bij de kippen- en eendenverkoop herkent Wilchard de man met de eenden achterop met wie hij een tijdje heeft overgefietst. Bij de geitenverkoop is het een gemekker van jewelste, helemaal als er een van eigenaar wisselt.

Wilchard is voor het laatst in Zambia naar de kapper geweest, en het is weer tijd voor een nieuw bezoek. Zijn derde in Afrika al. Ook nu weer zie je dat de kapper niet gewend is om dat gladde, steile haar van blanken te knippen, maar hij levert goed werk. Ik ben nog maar één keer geweest, in Namibië, maar toen was het zo kort dat ik voorlopig nog even de kappersstoel kan mijden.

Met nog een extra ingelaste rustdag vanwege tropische bui van een uur of zes in de ochtend, rollen we na nog 4 dagen de grens met Rwanda over (zie hier voor de staatjes, inmiddels ook afgelegde kilometers toegevoegd per land).

We staan trouwens niet als enige wazungu bij de grens. En ook niet als enige fietsers. Op onze laatste fietsdag in Tanzania ontmoeten we namelijk Josh, die ook naar Rwanda fietst. Al kletsend blijkt dat hij een week of twee is opgefietst met Sueli, die wij in Zuid-Afrika gesproken hebben. Waarschijnlijk hebben we de hele tijd redelijk bij elkaar in de buurt gefietst en zo’n beetje de helft van de tijd dezelfde route gevolgd. Klein wereldje.

Enfin, de grens stelt niet zoveel voor. Stempeltje Tanzania uit, en ons East-Africa Visa, dat geldig is voor Rwanda, Oeganda en Kenia hebben we online al aangevraagd en betaald en hoeven we alleen maar af te halen. Josh rijdt door om 27 km verderop, bij de eerste pinautomaat, Rwandese francs te pinnen, wij wisselen ons laatste Tanzaniaanse geld. De bankmeneer belt even een vriendje als Wilchard voor zijn loketje staat, dat levert volgens hem een betere koers op. We vinden een hotel net na de grens. Dat komt,blijkt later, goed uit, want tegen vijven realiseert Wilchard zich opeens dat op de sticker in ons paspoort maar twee maanden geldigheid staat in plaats van drie. Gelukkig kunnen we dan dus terug om dat aan te laten passen.

Rwanda is weer compleet anders dan Tanzania. Het begint er al mee dat de weghelften zich bij de grensovergang splitsen, kruisen en weer samenkomen. En zo rijden we opeens, na dik 5 maanden, weer aan de rechterkant van de weg. En zonder plastic tasjes, want die mogen Rwanda niet in.

Het is ook een stuk dichter bevolkt. Waar Tanzania 57 inwoners per vierkante kilometer telt, zijn dat er in Rwanda 452, meer nog dan in Nederland. En dat is helemaal boeiend als je beseft dat Rwanda’s bijnaam Land van de Duizend Heuvels is, waarbij die 1.000 naar beneden is afgerond. En dan hebben we het niet over een Limburgs heuvellandschap.

Voordeel van die heuvels is wel dat je als schoolgaand kind de nationale hobby kunt uitoefenen: meerennen met fietsende wazungu. Giechelend, soms een vraag stellend, maar meestal zwijgend. En er zit marathonpotentieel tussen. Bergaf laten ze het trouwens afweten, maar met die snelheid zou Kiplagat ons zelfs niet bijhouden. Leuk weetje: mijn autocorrect maakt van Kiplagat heel toepasselijk loopafstand.

De wegen worden deels door de Chinezen aangelegd. En zo kan het gebeuren dat we onderweg begroet worden met salama en sawa (Kinyarwanda), bonjour (tot 2008 is Frans de tweede taal op school), good morning (sinds 2008 is het Engels) en Ni Hao (leve de Chinezen). Van een afstandje lijken we blijkbaar net Chinees.

Verder is het hier in Rwanda een stuk groener, en waar we in Tanzania veel herders met runderen en schapen zagen en af en toe een beetje landbouw, wordt er in Rwanda wat afgelandbouwd. Veel bananen, maar ook rijst doet het goed. En omdat het zo heuvelachtig is zien we behoorlijk wat terrasbouw.

En laat ik niet vergeten te melden dat het hier een stuk georganiseerder is, of in ieder geval lijkt. Er ligt nergens zwerfafval, ook niet iets anders dan plastic tasjes. Her en der zien we heggen die onderhouden worden door iemand van de gemeentelijke groenvoorziening. De fietstaxi’s hebben hier niet alleen een nummerbord, maar de chauffeurs dragen ook hesjes. En het is gedaan met tijdelijke kraampjes langs de kant van de weg.

Helaas hebben we wel afscheid moeten nemen van onze geliefde chipsi mayai. We zijn 28 dagen in Tanzania geweest, en in die tijd heb ik 26 van die overheerlijke aardappelomeletjes op. Daar staat tegenover dat wat grotere restaurants in Rwanda een wat gevarieerdere menukaart hebben met niet alleen lokale maar ook internationale gerechten en daar ook nog wat van weten te maken. En natuurlijk mogen we de overheerlijke Rwandese koffie niet vergeten, die niet alleen wordt geëxporteerd maar ook hier resulteert in een heerlijke americano of cappuccino. In Kigali, waar we na twee dagen aankomen, kan dat zelfs in combinatie met een croissantje. De pain au chocolat was net op.

6 thoughts on “Op naar de 1.000 heuvels van Rwanda

  1. Ik begon ze al te missen, jullie posts 😉 Heerlijk weer die verhalen en vooral de schitterende foto’s. Blijf genieten, dan doen wij dat ook!

  2. Prachtig Rwanda, hadden we in Wageningen een stedenband mee.
    Veel roder dan voorheen zo te zien op de foto’s. Het lijkt me erg gezellig met al die meerennende kinderen, als je ervoorin bent althans.
    Dat eten ah Victoriameer zag er wel erg lekker uit. Soort sisslers. Vers croissantje met cappu is natuurlijk nooit verkeerd.

  3. In twee woorden, weer geweldig!
    En dat je af en toe bekenden tegenkomt, wat sjiek!
    Heb weer volop genoten van het verhaal en van de prachtige foto’s!
    Geniet maar weer lekker verder!

  4. Prachtige routes en natuur!! Heerlijke gerechten en redelijk goede hotels zo begrijpen we. Het leven als een lange vakantie vol nieuwe ontdekkingen. Genieten dus samen!

  5. Mooi verhaal weer en zo te zien genieten jullie nog steeds, ondanks regen en bergen.
    Fiets ze nog en blijf zeker van die mooie foto’s sturen. Groeten uit Bois Le Duc.

Comments are closed.