Van palmolie naar rubber

Penang af gaat nog gemakkelijker dan erop. Het veer staat op het punt van vertrek als we aankomen en klaarblijkelijk hoef je voor deze richting geen kaartje te kopen. De eerste 10 km gaan over een grote weg de stad uit, maar je kunt duidelijk zien dat er in het noordwesten van Maleisië niet meer veel te doen is, want er is weinig verkeer. Al snel rijden we weer over smalle weggetjes. Soms kussen we de zee, maar vaker rijden we temidden van rijstvelden en palmbomen. Hier zien we trouwens geen palmoliepalmen meer, het zijn allemaal slanke kokosnootpalmen. 

Aan het einde van de dag rijden we een stukje weg van de kust. Op een smal weggetje moeten we uitwijken voor een trekker. Deze stopt prompt en de chauffeur vraagt waar we heen willen. Oh, Sungai Petani, dat is inderdaad rechtdoor, geeft hij aan. Zijn zoontje kijkt ons met grote ogen aan en lijkt blij als paps de trekker weer start. Of in ieder geval probeert te starten. Poging vijf is succesvol, en hij vervolgt zijn weg. Wij ook. We hebben dan wel gps, maar toch is het fijn als iemand aangeeft dat we goed zitten, met name op die smalle weggetjes. Ook google maps, waar ik de route in uit zet, heeft het wel eens mis. Na een paar honderd meter vrezen we dat ook de man op de trekker wat optimistisch was. De weg wordt een smal, onverhard pad door rijstvelden. Duidelijk bestemd voor degenen die op die velden aan het werk moeten. Supermooi, maar we vragen ons wel af hoe lang dat goed gaat. Nou, helemaal tot aan Sungai Petani dus, waar ons hotel voor vannacht staat.

Vanuit Sungai Petani rijden we recht het duister in. Zo lijkt het tenminste. Donkergrijze en donkerblauwe wolken bedekken de hemel. We verwachten vandaag dan ook doornat te worden, maar na een uurtje hebben we een paar spetters gehad en liggen de wolken rechts achter ons. Daar komen we goed vanaf. 

Het blijft het grootste deel van de dag bewolkt, maar daarmee blijft de temperatuur ook wat lager. En dat is prettig, want we hebben een kilometer of 90 te gaan. De route is heel afwisselend: een klein stukje doorgaande weg en verder smalle weggetjes langs zee, mangrovebossen en rijstvelden en door dorpjes.

Bij een pier kunnen we een blik naar beneden werpen. Het is eb, dus tijd voor de slijkspringers en ontelbaar veel krabbetjes.

We eindigen in Kuala Kedah. Tenminste, dat is de bedoeling, maar het enige hotel dat het dorp rijk is staat ons niet aan dus we rijden nog dik 10 km verder. We vinden het wel boeiend dat we daar niet eens over na hoeven te denken, terwijl we toch al 96 km hebben gefietst. Dat is toch een teken dat we aan het fietsen gewend zijn. 
Uiteindelijk kiezen we ook niet het eerste hotel dat we bekijken in Alor Setar. Zelfs de hoteleigenaar snapt de keuze prima. No good, zegt hij. Het tweede hotel is wel good, maar daar kunnen we de fiets niet good kwijt, dus hotel drie is de winnaar. Dit klinkt alsof we behoorlijk hebben moeten zoeken, maar de hotels liggen hier voor het oprapen en deze drie liggen binnen een straal van 100 meter. Bovendien hebben we weer een foodcourt gezien tijdens onze tocht, dus daar kunnen we mooi eten. Dat laatste lukt ook prima, ik eet een enorme kom soep met noedels, groenten en allerhande vis en zeevruchten, en Wilchard smult van vis sweet & sour en van varken in zwartepepersaus. Een gebakje mee voor op de kamer, als de maaltijd een beetje gezakt is, en we zijn weer aangesterkt. Uiteindelijk hebben we vandaag toch 110 km onder onze wielen zien wegzoeven.

De route Alor Setar uit begint prachtig. Onder een mooi ochtendzonnetje fietsen we over smalle weggetjes door rijstvelden naar zee. 

De eerste twee keer dat we iets drinken mogen we niet betalen omdat een andere gast al voor ons heeft afgerekend. Mooi om dat op onze laatste volledige fietsdag in Maleisië nog mee te maken. 
Minder mooi om mee te maken is onze tweede lekke band. Het is weer de achterband, die van Wilchard dit keer. Op de oprit van een huis in een zijstraatje vervangen we hem (we zijn inmiddels redelijk handig hierin), de band zelf laten we in Kuala Perlis plakken door een fietsenmaker. Voor 40 cent gaan we niet zelf aan de slag op onze hotelkamer.

Kuala Perlis is eigenlijk het geplande eindpunt van vandaag, maar het is nog vroeg en het ziet er niet naar uit dat het binnen afzienbare tijd gaat regenen. We besluiten nog een kilometer of 30 door te fietsen zodat we morgen wat vroeger bij de grens met Thailand zijn. Dit blijkt een gouden beslissing. Naar de grens zouden we niet gekozen hebben voor hele kleine weggetjes omdat je nooit weet hoe lang je kwijt bent bij de douane. Nu kiezen we voor een kronkelweggetje op de kaart en rijden we weer door rijstvelden en dorpjes, terwijl her en der een karstberg uit het landschap oprijst.

In de ochtend drinken we nog even een kopje thee voordat we de klim naar de grens aanvangen. 

Binnen 3 km moeten we bijna 300 meter omhoog, dus dat is weer even flink aanpoten. Het is zondag, dus we zien ook weer wat wielrenners. Eentje haalt mij net voordat de haarspeldbochten beginnen in met een redelijk tempo. Ik ben benieuwd hoe lang hij dit vol gaat houden maar dat blijkt niet lang te zijn. Net voor de haarspeldbocht draait hij om en schiet hij naar beneden. Watje. Ik zwoeg naar boven, zie Wilchard op de top en samen zoeven we naar beneden.

Ietsje verder is de grens. We hebben gelezen dat de regel dat je als buitenlander 10.000 baht (dik 250 euro) bij je moet hebben wat strenger wordt nageleefd, dus daar hebben we maar voor gezorgd. We zitten wel niet in de doelgroep (mensen die vaak Thailand in en uit reizen), maar je weet maar nooit. Er wordt helemaal nergens naar gevraagd, de meeste tijd zijn we kwijt met wachten op onze voorgangers. We wisselen onze laatste ringgit in voor Thaise baht, en rijden Thailand in.

De weg is hier nog beter dan in Maleisië, en het eerste deel is lekker rustig en loopt langs rubberplantages. We stoppen bij drie rubberen robbies en knopen een praatje aan. Ze blijken 300 baht (7,5 euro) te krijgen voor 40 kilo latex (zo heet de grondstof). Hij wijst nog even op mijn fietsbanden om aan te geven dat daar ook rubber in zit. Het is maar goed dat hij niet weet wat die banden kosten …

Bij een restaurantje stoppen we. Het is weliswaar pas half 11 hier in Thailand, maar we hebben de klok een uur terug moeten zetten en enkel een paar cakejes gehad als ontbijt, dus laat dat Thaise eten maar komen. Het smaakt verukkelijk, dat belooft veel goeds. In Maleisië vonden we het lastig om goed te lunchen. We willen dan liefst iets wat licht is, niet te vet en wat toch goed vult, maar dat konden we niet echt vinden. In veel restaurantjes hadden ze nasi kandar, rijst met bijgerechten, die al in bakken klaar staat en vaak niet meer echt warm is in de kleine restaurantjes die we onderweg tegen kwamen. Hier wordt mijn kip met Thaise basilicum en Wilchards nasi vers bereid. Allebei niet vet, wel licht en vullend. Wel voel ik de wind zacht op mijn lippen branden als we doorfietsen. 

Al snel draaien we een grotere weg op. Deze is drukker dan zijn broertjes in Maleisië, maar ook hier is een brede vluchtstrook. Als het goed is volgen we hierna kleinere weggetjes. We zijn benieuwd. We kunnen in ieder geval al goed zien dat we in een ander land zijn aangekomen. Ook hier nog moskeeën, maar de Indiase (hindoe) en Chinese (boeddhistisch) tempels hebben plaats gemaakt voor de Thaise wat (boeddhistisch).

Ook ’s avonds laten we ons de maaltijd heerlijk smaken. Wilchard is gek op Thaise soepen, dus dat komt helemaal goed, en ik laat me mijn Thaise gebakken rijst met zeevruchten goed smaken. We sluiten af met een soort slush puppy. Je kiest een siroop en die wordt samen met ijsklontjes vermalen tot een soort moes. Superzoet, maar lekker koud. De blue curacao (geen alcohol) is niet voor herhaling vatbaar, de sinaasappel wel.

We vervolgen onze tocht. We zien her en der nog wat palmoliepalmen, maar het landschap wordt gedomineerd door rubberplantages. Op sommige plekken hangen de bakjes om de latex in op te vangen ondersteboven, die zijn blijkbaar even buiten werking. We vragen ons af wat er gebeurt als het regent. Levert dat extra veel op omdat het volume toeneemt, of blijft water gewoon drijven of zakt het naar de bodem? Dat eerste zeker niet, als we erover nadenken, want dan hadden we wel meer sproei-installaties gezien.

Brommertjes rijden af en aan met containers latex, die op een verzamelstation worden overgegoten in grote bakken en vaten. 38% (69.000.000 kilo op jaarbasis) van de wereldwijd gewonnen latex komt uit Thailand, dat zijn 1.725.000 containertjes van 40 kilo.

Het is gedaan met het vlakke. Ook nog lang geen bergen, maar het glooit wel. Daarbij is het warm, dus hoewel we vandaag niet ver hoeven voelt het zwaar. We hebben aan het begin wat kleine weggetjes, verder volgen we voornamelijk viercijferwegen. Hoe minder cijfers, hoe groter de weg. Die viercijferwegen zijn trouwens prima: enkelbaans aan beide kanten met een brede vluchtstrook voor ons en heel weinig verkeer. 

Als we bij een supermarkt wat zitten te drinken krijgen we twee flesjes ijskoud water aangereikt van medeklanten. Superlief. 

We eindigen in een natuurgebied bij een waterval. In het hotel zijn we de enige gasten, de andere hotels die we zien zijn gesloten. Er zijn wel wat dagjesmensen bij de waterval. Deze is gemakkelijk bereikbaar en heeft verschillende bassins waarin je kunt poedelen, en dat wordt dan ook druk gedaan. Ietsje stroomafwaarts zien we twee lange smalle beesten zwemmen die verdacht veel op slangen lijken … vast onschadelijk, maar toch een vreemd gevoel. 

We kiezen er de volgende dag voor om niet binnendoor naar Trang te fietsen, maar de hoofdwegen te volgen. Trang ligt een kilometer of 100 verderop, en het wordt in de loop van de dag 40 graden. We hopen dat de grotere doorgaande weg wat minder hoogteverschil vertoont, en daarin krijgen we gelijk. We ontbijten bij een klein restaurantje. Wilchard haalt cake bij de supermarkt, ik maak een keuze uit de snacks die klaar liggen: twee verrassingspakketjes gewikkeld in bananenblad en twee gefrituurde deegwaren, een soort churro. Het ene verrassingspakket bevat kleefrijst met mango, het andere kleefrijst met een vulling van gehakt in ik vermoed Chinees vijfkruidenpoeder. Ze zijn heerlijk.

Het eerste deel van de route is fraai, het tweede deel minder. Prima fietsen, de linkerbaan is gereserveerd voor fietsers en bromfietsers, maar minder mooi wat omgeving betreft. 

Trang is een slaperig provinciestadje. Hier zullen we een dagje blijven voordat we onze route vervolgen. Over kleinere weggetjes, dat fietst toch mooier.

7 thoughts on “Van palmolie naar rubber

  1. Wat een mooie verhalen weer welke we met veel interesse hebben gelezen. Het toeval wil dat onze ene zoon met zijn vrouw en twee kindjes in december een paar weken naar Maleisië en de andere zoon met zijn vriendin naar Thailand. Jullie conditie wordt met de dag beter, 100 km is al niets meer voor jullie. Complimenten voor de mooie foto’s, Cees is vast jaloers.
    We kijken uit naar het volgende bericht. Veel plezier samen.

  2. Wendy ik wens je van harte een hele fijne verjaardag toe, zover weg en toch zo dichtbij! Geniet ervan!!!!!!!!!!!!!!!

  3. Wat weer super mooi en wat een belevenis om dat allemaal mee te mogen maken en het verhaal erbij ik zal dit ook weer een paar keer lezen zo als iedere keer. Alvast voor morgen een fijne verjaardag Wendy

  4. Weer anders! En wat heerlijk dat jullie dit eten zo lekker vinden!
    En dat vreemde mensen zo maar iets voor jouw betalen of je iets geven!
    Dat moet toch een welkomstgevoel geven, lijkt mij!
    Weer veel groetjes van Tien!

Comments are closed.