De laatste vlakke kilometers

In Bago doen we rustig aan. Ik heel erg rustig aan, Wilchard gaat nog even de markt op, naar het station en naar wat tempels. Het lijkt wel alsof de temperatuur iedere dag een graadje stijgt.

De oorspronkelijk geplande route leidde over binnendoorweggetjes, deels onverhard. We besluiten eens te kijken hoe de highway is. En komen er al snel achter dat die eigenlijk best wel goed bevalt. Het gladste asfalt dat we tot nu toe in Myanmar meegemaakt hebben, breed genoeg en voldoende plaatsjes om op tijd wat te eten of te drinken. We besluiten dan ook de hoofdweg niet meer te verlaten tot we Myanmar uit zijn.

Ten westen van Yangon zagen en proefden we al dat het hier watermeloenseizoen is. Hier wordt deze vergezeld van de honingmeloen en de pompelmoes. Het ene kraampje volgt op het andere, en allemaal hebben ze hetzelfde aanbod. Die pompelmoes is wat smaak betreft favoriet, maar het is, zelfs als de verkoopster hem voor ons van zijn dikke schil heeft ontdaan, een drama om te eten omdat het membraan rond de partjes superstug is.

In Kyaiktio vinden we een hotelletje, en als we, na onze pompelmoes verorberd te hebben, een stukje willen wandelen is op de parkeerplaats een andere fietser zijn fiets aan het schoonmaken. Alex, uit Frankrijk, blijkt dezelfde kant uit te fietsen als wij, en we besluiten ’s avonds samen wat te eten. Maar eerst die wandeling. Toen we Kyaiktio naderden, zagen we al van ver een enorme boeddha boven alles en iedereen uittoornen. Hij blijkt zo’n beetje om de hoek van ons hotel te zitten, dus we lopen er even naartoe. Hij is nog in aanbouw, volledig omgeven door steigers van bamboe waar mensen als mieren overheen klauteren. Ze vallen volledig in het niet.

Alex is een aardige peer, en we wisselen ervaringen uit. Hij gaat wel dezelfde kant op als wij, maar waar wij zo vroeg mogelijk op de fiets zitten vertrekt hij pas tegen negenen. We nemen dus afscheid, ook al omdat hij hoopt Hpa-an in één dag te kunnen bereiken, waar wij hiervoor twee dagen hebben uitgetrokken. We hebben immers geen haast, in de vroege ochtend is de temperatuur heerlijk en het licht mooi, en zo kunnen we op het heetste deel van de dag de koelte van onze hotelkamer opzoeken.

Thaton is maar 67 km verderop, dus we doen rustig aan. Een koffietje hier, een koffietje daar, een frisje iets verderop, wat inmiddels lauwwarm water uit de flessen op onze fietsen in de schaduw van een bushokje en lunch bij een restaurantje onderweg. Aan het begin van de middag rijden we de binnenplaats van het hotel op, waar we Alex twee uurtjes later ook weer zien. Hpa-an was toch te hoog gegrepen.

We besluiten weer samen te eten en de volgende dag met zijn drieën naar Hpa-an te fietsen. Alex gaat wel eerst nog naar een tempel plus klooster op een berg om de zonsondergang te bewonderen. Uiteindelijk komt hij 20 minuten later dan afgesproken terug. Op blote voeten. Aangezien je de tempels hier alleen blootsvoets mag betreden had hij zijn sandalen beneden bij de trap achtergelaten. Waar een hond ermee heeft zitten spelen.

Zijn plannen voor de komende dagen zijn ook gewijzigd. Bij de tempel heeft hij met een monnik zitten praten die hem uitgenodigd heeft om drie dagen te komen mediteren. Zo’n kans om het kloosterleven van binnenuit mee te maken kan hij niet laten gaan, dus hij fietst over een paar dagen achter ons aan. Benieuwd of we hem nog gaan zien.

Wij rijden zoals gepland naar Hpa-an. En staan nog een half uur eerder op dan normaal aangezien het inmiddels al wat eerder licht is. Zo hebben we nog een half uurtje fijne temperaturen. De tocht van vandaag is er een met tussenstops. Onderweg passeren we wat rotstempels, en die willen we wel zien.

Bij de eerste, Bayin Nyi, is de enorme parkeerplaats nog oorverdovend leeg als we er aankomen. Volgens beproefd recept brengt eerst de één, dan de ander een bezoek. Degene die even niet naar binnen mag past op de fietsen en bagage. Tegen een karstberg aangeplakt liggen een tempel, een klooster en een overdekte trap. Die laatste brengt je, terwijl je tussen de apen door slalomt, naar de grot. Boven aangekomen staan in de rotsopening tientallen boeddhabeelden. Al dan niet met aap.

Weer 26 km verderop naderen we Hpa-an, waar zich behoorlijk wat karstbergen bevinden, en dus ook behoorlijk wat grotten. Hier zien we opeens ook weer toeristen. Op huurfietsen, huurbrommers en in een soort riksja. Bij de grot van Yathaypyan staat de meneer van de brommerparkeerplaats al te wenken. Maar daar willen we onze fietsen niet neerzetten, want daar kun je niet uit de zon zitten. Gelukkig kan dat ietsje verderop wel, en dit blijkt een gouden keus. Wilchard gaat als eerste, en terwijl ik op een plateautje met afdak zit te wachten komt een groepje van een man/vrouw of 20 Birmezen teruggewandeld. Het vrachtwagentje dat voor het plateautje staat opgesteld blijkt hun vervoer, de man die naast me lag te dutten hun chauffeur. Een deel van het groepje gaat alvast in het vrachtwagentje zitten, de rest kwettert om me heen. Ik versta er niks van, maar de chauffeur heeft een vertaalapp. Geen Google Translate, waar je zelf mag kiezen wat je vertaald wil hebben, maar een voorgeselecteerd setje zinnen. Hij kiest de Burmese variant waar de Engelse tekst onder staat, en laat zijn telefoon de Engelse zin uitspreken. Het blijkt wat lastig om zinnige zinnen te vinden, en hij lijkt het bovendien vooral leuk te vinden om te laten zien en horen hoe het werkt. Zo kan hij toch mooi op drie manieren vragen wat mijn naam is …

Het moment suprѐme is natuurlijk het selfieverzoek. Gelukkig reageer ik hier positief op, wat drie vrouwen zelfs weer doet uitstappen. De mannen fotograferen, de vrouwen staan in de rij voor een foto. De minst korte is anderhalve meter, en allemaal zijn ze superfijn gebouwd. Niet van de anorexia, maar enerzijds omdat hun lichaamsbouw zo is, anderzijds omdat wij in het westen toch net anders en meer eten.

Terwijl ik me voor de zoveelste keer verbaas over de hoeveelheid mensen die zich in zo’n vrachtwagentje weet te vouwen, komen de klanten van vrachtwagen twee terug. Een groepje jongens, dat natuurlijk ook op de foto wil. De eerste foto wordt nog stiekem gemaakt, alhoewel stiekem meer betrekking heeft op de poging dan op de uitvoering. Zodra duidelijk wordt dat ik het prima vind, komen ze om de beurt in twee- en drietallen bij me zitten.

Wilchard komt razend enthousiast terug. En dat blijkt niet voor niets. Ook hier weer een grot vol boeddhabeelden, maar ook nog eens met geweldig mooi licht.

Op naar de derde en laatste grot van de dag, die van Kawgun. Deze ligt ietsje verderop en kenmerkt zich door duizenden boeddha’s die in de rots zijn uitgehakt. Minder sfeervol dan de vorige, maar op een andere manier indrukwekkend.

Met die uitstapjes is onze fietsdag van 65 km toch een dagvullend programma geworden. En het is een mooi voorproefje op de volgende dag. We blijven een dagje in Hpa-an, en gaan zonder bagage nog wat grotten bekijken in de omgeving.

Die omgeving is trouwens erg fraai. Karstbergen worden afgewisseld door groene rijstveldjes, die worden afgewisseld door hooi die van het land moet worden gehaald, die wordt afgewisseld door landbouw en dorpjes. We rijden over rustige weggetjes, meestal verhard maar soms ook niet.

We zijn verwend. De eerste grot is een vluchtige blik waard, maar we vinden het vooral kermis. Veel glitter en flikkerende neonlichtjes kunnen ons niet echt bekoren. Op weg naar de tweede grot ziet Wilchard opeens een enorme rookwolk aan de rechterkant van de weg. Het lijkt alsof ze pek of zo aan het branden zijn. Terwijl hij op onderzoek uit gaat blijf ik bij de fietsen. En val bijna van mijn fiets als ik de andere kant op kijk. Achter de bomen, tussen hoog gras zie ik tientallen, nee honderden boeddhabeelden. Als Wilchard terug komt zetten we onze fietsen snel ergens in de schaduw en gaan op onderzoek uit. Het is een bijzonder, mysterieus gezicht.

De tweede grot blijkt ook veelal glitter en glamour, maar hier is het druk. Mensen branden wierook, bidden en slaan op een gong. Daardoor is er toch voldoende te beleven.

En verder gaan we. De plek waar we 17 jaar geleden een veldje met boeddhabeelden bezocht hebben blijkt opgekaleflaterd en voorzien van een nieuwe lik verf. Wij vinden hem daarmee een stuk minder sfeervol en besluiten het terrein niet op te gaan. Voordat we terug fietsen naar Hpa-an brengen we nog een bezoek aan een meertje met daarin een eilandje met daarop een rots met bovenop een, hoe kan het ook anders, stupa. Je mag via een trap naar boven, maar dat laten we even achterwege. Genoeg stupa’s waar we minder moeite voor hoeven te doen.

De volgende ochtend stappen we weer op onze fietsen voor de laatste volledige fietsdag in Myanmar. De weg leidt naar Kawkareik, en waar we eerder blij waren met de highway vervloeken we hem nu 70 van de 90 km. De eerste 20 km zijn goed, daarna volgen 22 km wegwerkzaamheden die ooit vast een mooie gladde weg tot resultaat hebben maar nu nog niet, en de resterende 48 zijn dermate belabberd dat we regelmatig net zo hard gaan als de rest van het verkeer, dat ook fors lijkt te zijn toegenomen. Ik zou bijna nog liever de bicycle zipline nemen die we een paar dagen eerder aangekondigd zagen. Bijna dan.

We zijn dan ook blij als we in Kawkareik aankomen, en nog blijer als we een kamer met eigen badkamer en airco kunnen krijgen. Nadat we het stof van ons hebben afgespoeld, lopen we het dorp in op zoek naar een biertje en wat te eten. Dat kost dit keer wat meer moeite dan meestal, maar lukt gelukkig wel, zodat we onze laatste avond in Myanmar met een goede chicken sweet and sour en een Beer Myanmar van de tap kunnen afsluiten.

We besluiten de laatste dag in Myanmar de oude snelweg te nemen. Er ligt inmiddels van Kawkareik tot de grens met Thailand glad asfalt, schijnt, maar we hebben goede verhalen gehoord over de oude weg. Een paar jaar geleden, toen dit nog de enige weg naar Thailand was, moest het verkeer de ene dag van oost naar west, de andere van west naar oost rijden. Dit omdat de weg, die een bergketen over gaat, te smal is om de hoeveelheid verkeer vanuit beide kanten tegelijk te verwerken. Nu gaan al die auto’s over de nieuwe weg, en zien we tijdens de klim en afdaling nauwelijks ander verkeer. Een stuk of 10 auto’s, 4 brommers en één olifant. Jawel, een olifant. We zien bergop al wat grote opgedroogde flaters liggen en denken nog ‘zou het?’, maar we vinden het zo onwaarschijnlijk dat we dat idee snel verwerpen. Totdat Wilchard, net nadat we de afdaling hebben ingezet, als hij een bocht om komt, even flink in de remmen mag. De olifanten zijn hier een paar maatjes kleiner dan in Afrika, maar een botsing eindigt ook hier in 1-0 voor de olifant. Het is trouwens geen wilde olifant. Op zijn rug zit een mahout, een man die de olifant verzorgt en berijdt. Die olifant is namelijk gewoon aan het werk, vergelijkbaar met een ezel.

De route is trouwens prachtig. Een kilometer of 18 met gemiddeld 5% omhoog, gevolgd door een kilometer of 18 met gemiddeld 5% naar beneden. Terwijl we langzaam stijgen en het uitzicht alsmaar mooier wordt, besef ik opeens dat we de laatste vlakke dag voorlopig gehad hebben. De komende vijf maanden, tot Oezbekistan, zal het klimmen en dalen zijn.

De laatste kilometers volgen we de nieuwe weg, die inderdaad zo glad als een biljartlaken is. En zo rijden we Myanmar uit en Thailand in. We verhuizen voor een maandje naar de linkerweghelft, en zijn nog geen 50 meter de grens over of we stoppen al bij een 7-eleven. Wilchard een limoensolero, ik een tosti. We vinden een prima hotelletje (geen probleem in Thailand) dat ook nog eens een toepasselijk logo heeft.

Tegen de avond zoeken we een eettentje. Wilchard bestelt een tom yam soepje, ik pittig varkensvlees met Thaise basilicum. Die van mij is te hebben, de tom yam is ouderwets pittig en heerlijk, maar voor op zo’n eerste dag net té pittig. Het zweet breekt Wilchard uit, en een personeelslid komt met een ventilator aan zetten. Wilchard gooit nog een schepje suiker in de soep in de hoop dat het minder pittig wordt, maar dat mag niet baten. Er zit niks anders op dan langzaam weer aan het Thaise eten te wennen.