Glamping bij het meer

Na een goed ontbijt stappen we op de fiets voor wat wel eens de zwaarste dag van Centraal-Azië kan worden. We willen naar Son Kul, een meer op zo’n 3.100 meter hoogte, en daarvoor mogen we dik 1700 meter klimmen op gravel. De eerste twee kilometer zijn relaxed, maar dat kan liggen aan het nog aanwezige asfalt. Zodra dat ophoudt stijgt de hellingshoek naar 3%. Dat stelt niets voor, maar de gravel is nu niet bepaald van goede kwaliteit en we weten dat we verderop nog 20 km met gemiddeld 6% gaan krijgen. Als er dan ook een busje voorbijkomt dat aanbiedt ons mee te nemen voor weinig, staan we daar zeker voor open. Totdat de achterdeuren open gaan. Bijna tot het plafond liggen de gedroogde koeienvlaaien opgestapeld, maar zij denken dat er nog wel ruimte is voor onze fietsen. Wij denken van niet, dus rijden we lekker door. Gelukkig wordt de ondergrond al snel beter, dat fietst toch wat lekkerder weg. We stijgen langzaam, totdat we een bruggetje over moeten.

Dan begint het echte werk, maar op een paar honderd meter na, waar onze fietscomputers een stijging van 13% registreren, is het allemaal goed fietsbaar. Net voor het laatste deel van de klim, dat bestaat uit een reeks haarspeldbochten, besluiten we te lunchen. En natuurlijk begint het juist dan te regenen en onweren. Gelukkig kunnen we even schuilen onder een overhangende rots en duurt het niet lang. Dat kan ook haast niet, de wind jaagt de wolken over de volgende bergkam, weg van ons. We boffen enorm met het weer vandaag, want voor hetzelfde geld word je zeiknat, en anders dan de koeienvlaaienbus is er niets meer langs gekomen dat ons mee zou kunnen nemen.

De haarspelden gaan weer naar 5-6% en zijn goed te doen. Enerzijds omdat ze iets minder steil en wat gelijkmatiger stijgen dan het stuk ervoor, anderzijds omdat het met die haarspelden gemakkelijker is om de klim op te delen. Als Wilchard net na de laatste haarspeld op me staat te wachten, stopt er een landcruiser met daarin drie Polen die al een aantal jaren in Tilburg wonen. We kletsen een tijdje, en bij het afscheid vullen ze onze twee lege flessen bij met water en krijgen we energierepen en snoepjes toegestopt. Die weten waar fietsers behoefte aan hebben.


De laatste vier kilometer gaan nog wat geleidelijker, maar de vermoeidheid slaat toe. Daarnaast zitten we inmiddels weer boven de drie kilometer, wat ook extra energie kost. De laatste tweehonderd meter, als ik over mijn stuur hang uit te hijgen, pakt Wilchard mijn fiets over en loop ik naar boven.

Op de pas voel je pas hoe hard het waait. Gelukkig voor ons in de goede richting, dus de laatste 13 km, die ook nog licht dalen over meestal goede gravel, vliegen we werkelijk vooruit. En dat is maar goed ook, want aan alle kanten zien we regen naar beneden komen.


Gelukkig komen we droog aan bij de yurtkampen aan de rand van het Son Kul meer. We stoppen bij het eerste het beste kamp, worden het eens over de prijs en betrekken ons huisje voor twee nachten. Dit is andere koek dan de yurt waar we vanochtend vertrokken. Het toiletblok heeft zittoiletten, en in onze yurt staan twee bedden. We hebben zelfs een kachel! Weten we meteen waar die koeienvlaaien voor dienen.


Het weer verandert om de haverklap. Waar wij zijn schijnt de rest van de dag de zon, maar om ons heen is het afwisselend dreigend, stormachtig of zonnig. We brengen de twee uur die ons resten tot we gaan eten dan ook in de buurt van onze yurt door en genieten van het schouwspel om ons heen.

’s Nachts giert de wind om onze yurt, en een tochtje naar het toilet is met name op de terugweg, met wind tegen, koud. Gelukkig gloeit de kachel nog lang na, en koelt de laag dekens niet zo snel af. Als we in de ochtend opstaan zien we dat de regen die we meenden te horen van de witte soort is. Er ligt een dun laagje, dat ook weer snel verdwijnt naarmate het wat later wordt.


We wandelen een stukje en zien meteen de belangrijkste functie van de graslanden rondom Son Kul: graasland voor koeien, schapen en paarden. Soms drijft een herder ze voort, maar vaker zwerven ze zelfstandig rond.


Als we een heuvel op lopen kunnen we het meer pas goed zien liggen. De kom waar het in ligt strekt zich ver uit, en wordt aan alle kanten begrensd door witte toppen. Onze yurt ligt op de hoek.


Als we terug lopen naar beneden zien we behoorlijk wat paarden met ruiter bij het buurkamp staan. Bij ons zijn we tot nu toe de enige toeristen, maar hier zijn er meer en hebben ze een demonstratie Kirgizische spelen georganiseerd. Denk potje bal op het schoolplein, maar vervang schoolplein door de groene graslanden, de bal door een dood schaap en de voetbalschoenen door paarden. Het schaap is trouwens ooit geslacht voor het vlees, de vacht wordt nu gebruikt als bal. Er staat zowaar een bankje voor de toeschouwers, maar je mag ook gewoon op je paard blijven zitten. En je hebt natuurlijk altijd van die toeristen die dan weer ergens anders willen gaan zitten.


Tijdens de warming-up kunnen ze hun vaardigheden laten zien. ‘Ze’ zijn trouwens niet ouder dan 25, en een deel zit nog op de lagere school. Er worden briefjes van 20 som (25 cent) op de grond gelegd en die moeten ze vanaf een dravend paard oprapen.


Daarna begint het echte werk. Er zijn twee teams, een goal (autoband) en een dood schaap. Oh, en ook nog een ADHD hond die overal tussendoor rent, maar nu we niet op onze fiets zitten en hij niet achter ons aan rent vinden we dat wel grappig. Het schaap wordt wat verderop neergelegd, en dan is het de bedoeling dat je zo snel mogelijk dat schaap te pakken krijgt en het in de goal gooit. Vanaf een paard, natuurlijk. En alles is geoorloofd om de tegenstander hiervan te weerhouden.


Als we tegen lunchtijd terug lopen, ziet het er iets verderop alweer donker uit, en nadat we gegeten hebben giert de wind alweer om onze oren. We zijn in ieder geval blij dat we onze stapel dikke kleren niet voor niets hebben meegenomen. We hebben zelfs onze dikke wind- en waterdichte sokken aan. Ik draag verder nog een lange onderbroek, een gewone lange broek, een warm ondershirts met lange mouwen, een blouse en een dikke fleece trui. Zodra we naar buiten gaan gaat daar nog een wind- en waterdichte hardshell overheen. Ik heb het ook overal lekker warm, behalve als ik ’s nachts met wind tegen terug loop van het toilet. Ook dan heb ik bijna diezelfde laag kleren aan, alleen de blouse ontbreekt.
Als we in de middag vanuit de windstilte in onze yurt naar buiten kijken, rijden er opeens twee fietsers voorbij. Het zijn twee Tsjechen die even komen schuilen. Afgelopen nacht hebben ze aan de overkant van het meer gekampeerd, maar na vier uur wind tegen komen ze even uitrusten. Afhankelijk van wat het weer doet rijden ze ofwel vandaag nog naar beneden via de route die wij omhoog geklommen zijn, ofwel blijven ze een nachtje. Als het in de verte begint te onweren hebben ze hun keuze snel gemaakt. En als het een half uur later begint te sneeuwen, is het maar goed dat ze niet de pas over hoeven.

Het houdt voorlopig ook niet op, en waar er vanochtend een heel dun wit laagje lag, ligt er tegen de tijd dat we gegeten hebben een centimeter of zes. Het ziet er prachtig uit, maar we zijn blij met het kacheltje dat ze vandaag al ’s middags opgestookt hebben. Koeienvlaaien en houtskool worden erg toepasselijk vervoerd met een soort van slee.

Zelfs de koeien zoeken een windvrij plekje op, en vinden dat rondom de toiletten. Ik schrik me rot als ik nietsvermoedend de deur open doe om terug te lopen en Bella opeens haar hoofd om de hoek steekt.
We waren van plan om op tijd op te staan en weer naar beneden te fietsen, maar besluiten wat later te ontbijten en het dan van het weer af te laten hangen. Met deze sneeuw gaan we zeker niet fietsen. We zijn dan ook behoorlijk verbaasd als er na het eten, tegen achten, nog twee fietsers arriveren. Zij zijn lager begonnen en daar sneeuwde het nog niet, maar ze hebben zeker vier uur door de loeiende wind en sneeuw bergop gefietst. En zo zijn we opeens volstrekt onverwacht met zes fietsers in hetzelfde yurtkamp, op een plek waar ik er helemaal geen verwacht had.

’s Nachts houdt het op met sneeuwen, en in de ochtend kun je merken dat het boven nul is zodra het licht is, want de sneeuw verdwijnt heel langzaam. De wind niet, maar als het goed is hebben we die niet voortdurend tegen, dus we wagen het erop.

De eerste dertig kilometer moeten we nog omhoog, in totaal een meter of vijfhonderd, naar een pas. Ik heb het zwaar. De hoogte, de weg die wel schoon is maar nat en daardoor meer weerstand biedt, de stijging, de wind, de dikke laag kleren. Waarschijnlijk een combinatie, maar ik ben niet vooruit te branden. In dit tempo gaan we de eindstreep vandaag niet halen.

Bij Wilchard gaat het gelukkig goed, dus als ik na 20 km een lift krijg aangeboden neem ik die graag aan. Wilchard geeft aan het goed te kunnen fietsen, dus we spreken af dat ik op de pas uitstap en daar op hem wacht. We zijn nog geen kilometer verder, of de fatsoenlijke maar natte weg verandert voor de laatste 9 km in een redelijke modderbende. De sneeuw die een half uur na vertrek zo goed als gesmolten was is op deze hoogte langer op het wegdek blijven liggen, wat niet bevorderlijk is voor het fietsgenot. Gelukkig loopt Wilchards fiets nergens vast in de modder, maar het is loodzwaar en hij is blij als hij me uiteindelijk op de top ziet staan.

We mogen naar beneden. Weinig inspanning, maar hard gaat het vanwege het slechte wegdek niet. We moeten dwars door een open mijn. En dat zou niet zo’n probleem zijn, als de weg niet behoorlijk geleden zou hebben onder het zware materieel van die mijn. We hotseklotsen regelmatig op en neer, onze armen, rug en nek hebben een zware dag. Halverwege de afdaling laat mijn voorspatbord opeens los, het schroefje waarmee het zit bevestigd is losgetrild. Spatbord achterop en verder, we maken het later wel weer vast met een reserveschroefje.

Eindelijk rijden we de vallei uit, en het asfalt op. Nou ja, her en der kunnen we tussen het wasbord door genieten van een stukje gemakkelijker trappen, maar hier kunnen we niet zomaar over de weg slalommen op zoek naar de beste ondergrond. Ook al is er niet al te veel verkeer, het is net te veel om het wegdek op te kunnen eisen. Gelukkig zijn de laatste 10 km wel goed, en vermoeid kloppen we aan bij het guesthouse waar we eerder twee keer verbleven. Het is een veredelde homestay, en ook hier worden we herkend.
De tocht naar boven en vooral naar beneden waren zwaar, en het was verre van warm. Maar wat was het mooi, we hadden het voor geen goud willen missen.

In de ochtend doen we rustig aan. We hebben een kort dagje voor de boeg met weinig hoogtemeters. Omdat we eindigen in een klein dorpje waar we een rustdag nemen, doen we inkopen. De klant voor ons wil wodka. En geen fles om mee te nemen, maar gewoon een plastic bekertje bij de kassa. Dat kan dus ook. Wij houden het bij snoepjes, mayonaise, brood en een 5-literfles kersensap. Die laatste schenken we over in de 1,8 liter-flessen die al vanaf Almaty mee reizen. Bij een restaurant halen we vier gekookte eieren, bij een groentemevrouw twee tomaten, en we zijn er weer klaar voor.
Als we het dorp uit rijden passeren we een autowasserette, een goede plek om onze fietsen, die er gisteren niet schoner op zijn geworden, schoon te laten maken. De eigenaar valt Wilchard om zijn nek, zo te ruiken heeft hij al meerdere plastic bekertjes wodka achterover geslagen. We fietsen door.

De tweede helft van de route van vandaag gaat door een kloof. Beroerde gravel, maar een fraaie omgeving. De wanden hebben bizarre kleuren, en op het riviertje dat ons tegemoet stroomt kun je vermoedelijk goed raften. De smeltende sneeuw zorgt voor een snelle stroming en een hoge waterstand.


De zon schijnt vandaag helaas niet en het is frisjes, dus we rijden redelijk door. Dat is maar goed ook, want als we de deur van de homestay in Kyzyl-oi openen begint het flink te regenen. Ook hier zijn we al eerder geweest, drie keer om precies te zijn, en als we Damira bij naam roepen moet ze even goed kijken, maar het is grappig om het moment van herkenning op haar gezicht te zien.

Ook al slapen we nu gewoon binnen en is de badkamer (met douche) om de hoek, we blijven nog even bij het yurtthema. Die staat namelijk in de tuin, en daar wordt ontbeten en gedineerd.

Kyzyl-oi ligt in een bijzonder fraaie vallei, met rotsen in allerlei kleuren. We lopen een eindje naar het kerkhof, en terug bij de homestay is het opeens druk. Met fietsers. Een groep Franse jonkies is aangeland, zes vrouw één man sterk. Hun fietsen zijn niet van de stevige soort, en bij eentje is een trapper afgebroken. Gisteren was dat ook al het geval maar kregen ze het nog gerepareerd, vandaag is het einde oefening. Zodra er weer elektriciteit is probeert de man des huizes, een handige gast, het nog te fixen, maar het mag niet baten. Terwijl hij het pedaal probeert te lassen beginnen overal in huis de lichten te flikkeren. De Fransen besluiten in een weiland te kamperen, wat ze verder besloten hebben hebben we niet meer meegekregen.

Er komen ook nog twee Slowaken aangefietst. Die zijn een stuk beter voorzien op fietsgebied en enkel op zoek naar een slaapplek. Wij zijn natuurlijk rechtstreeks naar Damira gegaan, maar officieel hoor je naar het CBT kantoor te gaan. CBT staat voor Community Based Tourism, en het kantoor zorgt ervoor dat de toeristen goed verdeeld worden over de talloze homestays die Kyzyl-oi rijk is. Dat zijn er behoorlijk wat, maar omdat het gewoon huizen zijn valt het absoluut niet op. Iedere homestay heeft dezelfde prijs, en een deel van het bedrag komt ten goede aan het hele dorp. Zo gaat het dorp erop vooruit én krijg je geen/minder scheve gezichten.

Het grootste verschil in Kyzyl-oi met 2 jaar geleden is de aanwezigheid van een verkeerslicht bij de school. Mét voetgangersdrukknop. Op de weg rijdt grofweg iedere 20 minuten een auto, en dat is naar boven afgerond. En als de elektriciteit het niet doet, zoals op onze rustdag, werkt het verkeerslicht natuurlijk ook niet. Op de rest van de weg spelen de kinderen overigens gewoon op straat.

We rijden verder langs het riviertje, richting de M41, die we de komende twee maanden het gros van de tijd zullen volgen. Wellicht ken je hem beter onder de naam Pamir Highway. Maar eerst mogen we nog een tijdje op gravel, die van een stuk betere kwaliteit is dan de eerste helft van de kloof. Ook nu vecht het smeltwater zich een weg naar beneden, en mogen wij langzaam naar boven, maar alhoewel we vandaag bijna 800 meter stijgen valt dat amper op. Onderweg wisselen we een aantal keren stuivertje met de Slowaken, leuke lui.

Aangekomen bij de M41 moeten we even wennen aan het verkeer. Dit is dé verkeersader van Kirgizië en het is redelijk druk omdat hier de afdaling uit de bergketen ten zuiden van Bishkek eindigt en het verkeer nog dicht op elkaar zit omdat er eerder minder mogelijkheden waren om in te halen. Opletten geblazen dus. Het fietst wel een stuk relaxter op asfalt, alhoewel de gravel een stuk beter was dan we ons herinnerden. Bij de afslag staan een boel pipowagens waar overal hetzelfde verkocht wordt: etenswaren gemaakt van paarden- en koeienmelk. We overnachten in het VIP hotel aan de snelweg waar we de vorige keer ook verbleven. VIP zegt niet zoveel over het hotel, maar meer over de prijs. Die is bijna verviervoudigd ten opzichte van 2 jaar geleden, maar uiteindelijk betalen we zo’n beetje het dubbele. Het ligt bij een cluster restaurantjes en winkeltjes, dus in onze basisbehoeftes is voorzien.

We vertrekken vroeg want we willen Toktogul halen, zo’n 130 km en een pas verderop. Als we wakker worden horen we voor het eerst in tijden geen wind, en de lucht is strakblauw. We hebben het er al over dat we onze fietsjasjes waarschijnlijk niet te lang aan zullen hebben, maar de rijwind blijkt toch erg koud. Gelukkig zit er na 4 km een modern tankstation waar ze koffie en met jam gevulde croissants verkopen, dus daar warmen we maar even op. Een blik op mijn fietscomputer, als we zo’n twee uur onderweg zijn, leert dat het dan pas 12 graden is.

Het mag dan niet al te warm zijn, mooi is het wel. De eerste 40 km stijgen we heel langzaam, de weg doorklieft de graslanden waar paarden met hun veulens staan, klaar om verse paardenmelk te leveren. Het is hier inmiddels vakantietijd, dus ook de kinderen lopen en spelen rondom de yurts. Een fietser is natuurlijk een stuk interessanter dan een auto, dus er wordt druk gezwaaid en gehellood. Het verkeer valt gelukkig ook flink mee, aangezien we steeds verder van Bishkek zijn verwijderd en de weg een schone vluchtstrook heeft gekregen, prima geschikt als fietsstrook.

In 2017 was deze pas onze eerste echte klim, en de laatste twintig kilometer had ik het zwaar. Nu, zelf een kilo of 15 lichter, met iets minder bagage, meer spieren en veel meer klimervaring, fiets ik prima naar boven.

En dan begint het feest. De laatste 65 km dalen we zo’n 2.300 meter. In no time zijn we beneden, en het heuveltje Toktogul in dat we ons beiden zo goed herinneren blijkt helemaal niks voor te stellen. Nog een voordeel van zoveel afdalen: voor het eerst sinds we Kirgizië binnen zijn gereden hebben we het weer eens lekker warm, en dat blijft ook een tijdje zo. De warme kleren kunnen weer even onderin de tas.