Ni Hao

We kijken al een hele tijd naar China uit. Niet alleen omdat we een geweldige route hebben uitgestippeld, maar ook omdat het weer een compleet ander land is. Het klinkt blasé, maar in Zuid-Oostazië weten we een beetje wat we kunnen verwachten en worden we dus minder verrast. We zijn allebei wel een paar keer in China geweest, maar een stuk minder dan in Zuid-Oostazië. Dus we laten ons graag weer verrassen.

Kijk hier voor de landengegevens van China.

Aan de Chinese kant van de grens weet je meteen dat je in een ander land bent. Niet alleen vanwege de andere gebouwen, winkels en kleren, maar zeker ook vanwege de etensgeuren. Niet meer de typisch Thaise geuren met pepertjes en citroengras, maar de meer aardse van de Chinese keuken. Geen idee of aardse het goede woord is, maar dat komt bij me op. En gelukkig houden de Chinezen zelf ook van lekker eten, dus eetplekken te over.

Na ons eerste Chinese geld te hebben gepind en onze eerste frisdrank op Chinese bodem te hebben gekocht, rijden we Mohan uit. De eerste 15 km wordt het landschap nog ‘opgefleurd’ door bouwwerkzaamheden aan de hogesnelheidslijn, daarna krijgen we dorpjes en wordt het groen. Onze route heeft zich ook afgesplitst van de tolweg. De Chinezen hebben, om hun economie op gang te helpen, ontelbaar veel nieuwe wegen gebouwd. De nieuwe snelwegen zijn tolwegen, op palen en door tunnels om zo min mogelijk last te hebben van de bergen. Ze zijn verboden voor fietsers, maar dat is helemaal niet erg want in de meeste gevallen ligt de oude snelweg er nog, in prima staat en met weinig verkeer. En daar gaat onze route dus overheen.

Onze eerste kilometers tot Mengla zijn relatief vlak. En in Mengla stoppen we. Met het oversteken van de grens hebben we onze horloges aan moeten passen naar Pekingtijd, en we moeten dus een uurtje inleveren. Onze fietsen gaan met de lift van het hotel naar de vierde verdieping. Nou ja, eigenlijk de tweede, want begane grond is hier 1, 2 ontbreekt en dan blijven 3 en 4 over. Onze kamer heeft een eigen wifikastje en een regendouche, en er komt ‘gewoon’ warm water uit de kraan. In Thailand en Laos (en soms in Myanmar) hadden we ook wel warm water, maar had iedere douche een apparaat dat op verzoek koud in warm veranderde. En hoe verder je de kraan open zette, hoe minder warm het water werd. Wij waren daar prima tevreden mee, maar genieten wel even extra van deze regendouche.

Terwijl we buiten voor het hotel staan te dubben of het wel een hotel is, komen er al twee mensen vragen of ze kunnen helpen. En ook verder zijn de mensen die we ontmoeten uiterst behulpzaam, open en vriendelijk. Het gereserveerde karakter is volledig verdwenen, de markt is geweldig maar met name druk in de ochtend, een schoenmaker stikt mijn sandaal wat vaster en bij de kapper vinden ze het geweldig om op de foto te gaan.

Daar staat dan weer tegenover dat roken volkssport nummer 1 is en je in een grijpkast bij de supermarkt, die we kennen van de kermis, pakjes sigaretten kunt grabbelen, dat een vriendelijke verkoopster, terwijl we staan te betalen, haar sigaret langs ons af weggooit, dat er gerocheld en gespuwd wordt bij het leven, dat het heel normaal is om al je etensresten in het restaurant op de vloer te gooien samen met het verpakkingsmateriaal van je bestek en kom, dat je je neus gewoon leeg kunt snuiten op de restaurantvloer, en ga zo maar door. Tja, niet alles is rozengeur en maneschijn.

Het is ook weer even wennen aan alle winkels. Grote supermarkten, bakkers, kledingzaken en heel veel telefoonwinkels met vooral Chinese telefoons. Die telefoon kun je hier, net zoals in Afrika en Zuid-Oostazië, weer goed gebruiken om mee te betalen. In Afrika liep de betaling via de providers, hier regeren Alipay en consorten: je scant de QRcode van de betaaldienst waar jij een account hebt. Gelukkig kun je ook nog gewoon cash betalen.

De eerste paar dagen hebben we volgens onze gpx-bestanden behoorlijk wat hoogtemeters, dus ik heb de route opgeknipt in behapbare stukken. En dat is prima, maar we merken meteen hèt grote verschil met Thailand en Laos, en dat is het hellingspercentage. Met maximaal 7%, maar meestal 3 tot 5%, gaan we omhoog. En dat duurt dan wel wat langer, maar kost ook fors minder inspanning, en je kunt nog eens om je heen kijken. We rijden voortdurend door de Xishuanbanna protected area. Hier schijnen nog wat luipaarden, tijgers en een stuk of 250 olifanten in het wild voor te komen, maar die hebben zich vast verstopt achter een van de miljoenen bomen.

Na 42 km houden we het al voor gezien. Verder gaan betekent weer fors omhoog, waar we nog genoeg energie voor hebben maar wat ook kan wachten tot morgen. En daarmee hebben we ook nog wat tijd om in het dorp rond te struinen. Waar we trouwens snel mee klaar zijn, want het is niet al te groot.

En jawel, die beklimming blijkt inderdaad niet op miraculeuze wijze verdwenen. Maar weer is hij geleidelijk, dus prima te doen. Het uitzicht is fraai en af en toe zie je de nieuwe snelweg in de diepte liggen.

Na de klim worden we beloond met een afdaling en wat dorpjes. In het tweede, waar we ook even stoppen voor een marktbezoek, val ik van verbazing bijna van mijn fiets. We rijden namelijk een huis voorbij waar in eerste instantie een man/vrouw of 20 op een terrasje lekker met elkaar lijkt te zitten kletsen. En dat is ook niet onwaar, maar ze zitten allemaal vast aan een infuus. Een vreemd gezicht. Sowieso is een dokters- dan wel tandartskamer hier nauwelijks gescheiden van de straat, zeker niet wat zicht betreft. Dat is pas transparantie!

In dit gebied wonen, naast Han-Chinezen, ook nog verschillende stammen. Feitelijk dezelfde of verwant aan die uit Noord-Laos en Noord-Thailand, die helemaal niet zo ver weg liggen. In sommige dorpjes zie je nog wat traditionele huizen tussen de moderne Chinese bebouwing in staan en her en der loopt nog iemand in traditionele kleding, maar de meeste mensen zijn gekleed in westerse kledij.

Na een overnachting in Menglun, stappen we weer op de fiets. Het is iedere ochtend frisser, dus het zal niet lang meer duren eer we onze jasjes weer aan doen. Voorlopig nog even niet, want we mogen omhoog. Het blijft een geweldige route. Af en toe zien of horen we de snelweg tussen de bomen door of kruisen we hem, maar de meeste tijd is het groen wat de klok slaat.

In Mengyang vinden we al snel een hotel met een kamer op de begane grond. Het enige probleem is dat de elektriciteit het niet doet, maar met wat gebarentaal wordt ons duidelijk gemaakt dat eraan wordt gewerkt en dat het probleem eind van de dag verholpen zal zijn. Dat vinden wij best, al helemaal omdat het warm water in de douche het wel gewoon doet, en we lopen de straat op. Het is een groot dorp met hoogbouw, waardoor het toch een beetje op een stadje lijkt. Er hangt een gemoedelijke sfeer.

Als we na wat gegeten te hebben terugkeren op de kamer doet de elektriciteit het nog steeds niet. En, weet de receptionist ons uiteindelijk duidelijk te maken met de beroerdste vertaalapp ooit, dat is een probleem. Want nu kan hij ons niet registreren bij de politie. Vervelend, maar we doen er niets aan. Eind van het liedje is dat we alles weer in mogen pakken, ons geld terugkrijgen en door de receptionist op de fiets naar een hotel iets verderop gebracht worden dat wel elektriciteit heeft. Als ik hem vraag of hij met ons meefietst naar Peking kijkt hij verschrikt uit zijn ogen, en zodra we een kamer hebben is hij er dan ook snel vandoor. We spelen nog even met het idee om morgenvroeg langs te fietsen om hem op te halen, puur om zijn reactie te zien, maar hebben medelijden en zien ervan af en vertrekken met ons tweetjes.

Die 250 olifanten die ik eerder noemde, zijn niet de enige dikhuiden in de regio. Als we een vallei inrijden blijken hier een aantal dierentuinen te zijn waar ze olifanten shows op laten voeren. Het is hier opeens ook wat drukker vanwege de Chinese toeristen die hierop af komen. Maar waarom er zoveel auto’s langs de kant van de weg staan? Een man gebaart ons te stoppen. Als we zo goed als stil staan zie ik vanuit mijn rechterooghoek iets de helling af komen lopen, wat gepaard gaat met veel geruis in het struikgewas. Op de weg aangekomen staat het stil. Het is een enorme mannetjesolifant, blijkbaar zijn hier ook nog andere olifanten dan de getrainde in de shows. De man die ons tegen hield is in ieder geval redelijk zenuwachtig. Het lijkt ook niet extreem vaak voor te komen dat een olifant oversteekt, aangezien de chauffeur van een touringcar en de man zelf ook druk foto’s maken. Ollie staat inmiddels op de weg te bedenken wat hij zal gaan doen. Eerst weer terug, naar boven, maar dat is het toch niet. Dan maar oversteken, verder naar beneden. En de file wordt steeds langer. Er stappen ook steeds meer mensen uit, die allemaal net te laat zijn en niet goed snappen wat er aan de hand is, totdat Wilchard op zijn telefoon een foto laat zien. En bij gebrek aan olifant wordt er dan maar een foto gemaakt van de foto van de olifant. Wij vinden het allemaal hoogst vermakelijk.

Als het sein veilig wordt gegeven, rijden we verder. En we zien op meer plekken bewakers staan bij paadjes waarvan we nu weten dat het olifantenpaadjes zijn. Olifanten zien we niet meer.

Ietsje na de vallei mogen we weer omhoog en worden we opnieuw verrast. Dit keer niet door olifanten, maar door theeplantages. Morgen rijden we naar Pu’er, bekend vanwege de Pu’er thee. Deze is bijzonder omdat hij wordt gefermenteerd en dus, net als wijn, rijpt. In China is het de meest gewilde thee, en met de verwachte prijsontwikkeling wordt zelfs gespeculeerd op de geldmarkt.

Maar voorlopig zijn we nog helemaal niet in Pu’er, het is nog een kilometer of zestig fietsen. Te ver voor vandaag, dus we lunchen op de top van de klim, dalen nog een heel eind af en houden het na een supergave fietsdag voor gezien.

De laatste 40 kilometer naar Pu’er rijden we door landbouwgebied, door groen en door een enorme bouwput waar weer een nieuwe weg is gepland. Onderweg passeren we een dorpje waar een weekmarkt gaande is, en we gaan dus even kijken. Vooral de mandarijnen, die hier geluk brengen, zijn erg in trek. Hele zakken worden weggedragen. En mocht je een tand stuk bijten op een pitje, dan kun je meteen een vervanger uitzoeken. Een mannetje denkt kleine schildpadjes aan me kwijt te kunnen, en een jongetje van een jaar of drie heeft ergens een vuvuzela te pakken gekregen en toetert daarmee luid in het oor van zijn iets oudere broertje, dat zich een kleine rolberoerte schrikt. Er lopen ook nog wat mannen rond die Mao zo te zien nog hebben meegemaakt en niet echt afstand kunnen doen van hun garderobe uit die tijd.

We rijden de stad eigenlijk niet in maar stoppen in een buitenwijk. Vanuit Pu’er willen we namelijk de bus naar Nanjian pakken, als die er is. We hebben wel een visum voor 2 maanden dat we met een maand kunnen verlengen, maar dat is net niet genoeg om al onze plannen fietsend te verwezenlijken. Ik heb vantevoren een screenprint van Google maps gemaakt, waar ook de naam in het Chinees op staat. Als we enkel af moeten gaan op mijn uitspraak kunnen we wel eens heel ergens anders terecht komen. Engels is in ieder geval in dit deel van China niet wijdverspreid, maar met wat kunst-en vliegwerk kom ik erachter dat er een bus is en dat die morgenochtend vertrekt, en eigenlijk gaat dat best wel soepel. Dat vind ik tenminste, ik vermoed dat de dame achter het loket een andere versie van het verhaal heeft.

Met de twee bustickets op zak zoeken we een hotel in de buurt van het busstation, waar we voor de zekerheid de tickets nog even laten controleren. Gelukkig is het eerste wat ze zeggen als ze de briefjes zien iets wat lijkt op Nanjian. Datum en tijd kunnen we zelf lezen en we laten nog even het Googlemaps screenprintje zien waarop bevestigend wordt geknikt. Alles lijkt goed te zijn gegaan.

De belangrijkste activiteiten van de rest van de dag zijn het kappersbezoek van Wilchard en het inslaan van wat te snoepen voor onderweg. Wij zijn er klaar voor.