Terug in Kazachstan

Bijna waren we 8 mei niet aangekomen in Almaty. Onze eerste vlucht, van Kunming naar Beijing, had namelijk een uur vertraging. Daarna moesten we de bagage van de band halen en opnieuw inchecken. Het was wel één boeking, maar dat is nu eenmaal de procedure. Nog steeds twee uur de tijd. Niet ruim, maar genoeg. Tenminste, als je geen fietsen bij je hebt. Nu krijg je de fietsoverhead van een half uur erbij (langer wachten op bagage, toch iets meer tijd nodig, ook rennend, om op de andere terminal te geraken, extra tijd nodig om bedrag voor fietsen af te rekenen), en dat is toch niet heel relaxed. Enfin, ik had het al verklapt door met bijna te beginnen, maar gutsend van het zweet zijn we toch net op tijd voor onze vlucht naar Almaty. En dan treffen we het dat we zowel in Kunming als in Almaty via een slurf het vliegtuig in mogen. We hebben namelijk net gelezen dat vooral oudere Chinezen nog wel eens muntjes de motoren in willen slingeren, voor geluk…

Alle bagage en fietsen hebben samen met ons de aansluiting ook gehaald, dus we beginnen de eerste dag in Centraal-Azië met het in elkaar zetten van de fietsen, wat gelukkig redelijk snel gepiept is. En dan het moment waar we naar hebben uitgekeken…. Tromgeroffel…. Een ontbijt met lekker brood, kaas, gekookte eitjes, een kopje thee en yoghurt. Wat is dat heerlijk na een paar maanden de dag beginnen met havermout.

Het is vandaag 9 mei, de Dag van de Overwinning, de dag waarop de Duitsers zich in 1945 in Berlijn overgaven. Nou ja, eigenlijk ondertekenden ze het overgavedocument op 8 mei laat op de avond, maar vanwege het tijdsverschil was het toen al 9 mei in de Sovjet-Unie. Met als gevolg dat in een groot deel van het westen V-day op 8 mei wordt gevierd, en in de landen die tot de Sovjet-Unie behoorden op 9 mei.

Op straat worden rode anjers verkocht en soldatenpetjes in kindermaten, gezinnen lopen op hun paasbest, al dan niet in iets legergroens, richting het park waar de eeuwigbrandende vlam brandt ter nagedachtenis aan de gevallenen. Wij lopen met hen mee, en onderweg zien we dat de weg is afgesloten. Er nadert een orkest, en dat blijkt vooraf te gaan aan een auto met drie hoge pieten en een stoet van duizenden mensen van alle leeftijden. Velen dragen een foto met het portret van een van die gevallenen waarvoor de vlam brandt. Er wordt gezongen en er heerst een gevoel van saamhorigheid. Het maakt indruk, zowel op Wilchard als op mij.

We lopen langszij met de stoet mee het park in, maar daar blijven we niet lang. Het is er vooral druk, heel druk. We lunchen bij het tentje met de verrukkelijke champignonsoep uit 2017 (nog steeds verrukkelijk), lopen nog wat rond, drinken koffie op een terras, doen boodschappen en brengen onze eerste avond door bij de shaslicktent waar we goede herinneringen aan hebben. Daar leren we meteen een belangrijke les: het is in Kazachstan gebruikelijk om af te wachten tot je een tafel krijgt toegewezen en absoluut niet normaal om aan iemand te vragen of je aan mag schuiven. Enfin, omdat wij dat niet wisten hebben we toch maar mooi niet hoeven te wachten.

We besluiten ook de metro eens uit te proberen. Ze hebben duidelijk aandacht besteed aan de stations, maar die halen het bij lange na niet bij die van Moskou en Tasjkent. Het is allemaal wel lekker overzichtelijk, want er is (nog) maar één metrolijn en wij willen er uiteindelijk uit op het laatste station. Maar eer we daar zijn maken we een paar tussenstops om wat andere stations te bekijken.

Aan het einde bevindt zich een wijk met een park, een ‘beeldentuin’, een markt, sovjetflats en een enorm modern winkelcentrum. Natuurlijk zijn er ook tig plekken waar je wat kunt eten. Alhoewel de bevolking van Kazachstan voor 70% islamitisch is en de ramadan nog lang niet is afgelopen, wordt er ook bij daglicht flink wat eten geconsumeerd.

De markt is leuk. Hier komen duidelijk niet vaak toeristen. En aangezien we er hier ook niet ‘anders’ uit zien (we zouden uit Rusland kunnen komen), begint menigeen gewoon een verhaal in het Kazachs. Zodra duidelijk is dat ze daar niet ver mee gaan komen (her en der een woordje gaat, maar een gesprek is teveel gevraagd) volgt de onvermijdelijke vraag Otkuda, ofwel waar we vandaan komen. Bij het kraampje waar we dadels kopen verstaan ze Colombia in plaats van Gollandiya, en krijgen we meteen ‘cokes’ als reactie. Maar gelukkig ken ik het Russische woord voor kaas wel, en dan is al snel duidelijk dat we uit Nederland komen. De kaasmevrouw had ons land van herkomst dan ook wel meteen goed verstaan.

Het Family Park begint goed. Je wordt begroet door legervoertuigen, een straaljager en een helikopter, allemaal omgetoverd tot speeltoestel. En met omgetoverd bedoel ik gewoon neergezet. Gelukkig wordt dit ietsje verderop gevolgd door de obligate draaimolens, botsautootjes en trampolines.

Tussen het park en de bioscoop hebben wat communistische beelden een tweede huis gekregen. We herkennen Stalin en een enorm beeld van Lenin, dat ooit een wat prominentere plaats innam. De anderen zijn voor ons grote onbekenden, ook na het ontcijferen van de naamplaatjes.

De rest van de tijd bezoeken we wat kerken en een moskee.

En dan is het zover, we mogen weer op de fiets. Op zondagochtend rijden we Almaty uit, over dezelfde route maar met net wat meer fietservaring dan twee jaar geleden, toen onze tocht hier begon en we nog nooit met bagage gefietst hadden. Waar het toen koud was en we de dag erna maar meteen een rustdag pakten omdat er een pak sneeuw lag, is het nu heerlijk fietsweer. De toppen van de bergketen die Kazachstan van Kirgizië scheidt zijn nog flink bedekt met sneeuw, en tussen die bergen en ons liggen groene heuvels, een fraai gezicht.

We stuiten al snel op een klein probleem. We hebben geen sleutel om onze pedalen vast te zetten bij ons aangezien we die alleen bij het in- en uitpakken van onze fietsen nodig hebben en we er altijd wel één kunnen vinden. Dit keer was dat niet zo snel gelukt en hebben we de pedalen enkel met het handje aangedraaid in de hoop dat ze zichzelf wel vast zouden draaien, maar dat is niet het geval. En ze zitten te los. Na een meter of 60 gelopen te hebben vinden we een groentenboer die voor ons zijn auto doorspit maar helaas geen passende sleutel heeft. Een vrachtwagenchauffeur heeft een wat groter assortiment en helpt ons uit de brand. En natuurlijk kan er geen sprake van zijn dat we de sleutel terug geven. En alhoewel vandaag geen spannende klimdag is krijgen we toch meerdere duimpjes toegestoken vanuit autoraampje. We hebben heerlijk gefietst de afgelopen vier maanden, maar dit voelt als een warm bad.

In Esik slaan we na de brug meteen rechtsaf, in de hoop dat het guesthouse van de vorige keer, dat gerund werd door een superaardige vrouw, er nog steeds zit. Het is verdwenen van openstreetmap en googlemaps, en aan de doorgaande weg staat geen bord meer, maar het hotel zit er nog, de plaats van de vrouw lijkt ingenomen door een jongere generatie. Haar kinderen vinden het maar wat interessant, zo’n buitenlandse gasten.

We lopen weer een rondje over de markt, en zien dat er in Esik inmiddels wat meer bedrijvigheid is dan de vorige keer. Maar dat kan ook aan het weer liggen natuurlijk.

Esik uit verlaten we de ons bekende route. We gaan noordwaarts, en stoppen na een kilometer of acht voor een ontbijtje met uitzicht op besneeuwde bergtoppen: brood met door een Kazachse vrouw zelfgemaakte perzikenjam, gekocht op de markt. We zetten de fietsen neer op een plek waar de weg betere tijden gekend heeft, zodat het weinige verkeer dat langs rijdt flink moet afremmen. Sommigen stoppen zelfs helemaal, want niks zo leuk als een paar woorden wisselen met twee buitenlanders. Het eerste woord is natuurlijk otkuda.

Na een kilometer of 15 bergaf, vlakt de weg af en rijden we voor het eerst sinds Myanmar lange tijd vlak. Overal is het groen, en achter ons zien we voortdurend die witte toppen. Nou ja, voortdurend, als we omkijken. Gelukkig maakt de weg wat later een bocht naar links, zodat we ze wat gemakkelijker kunnen aanschouwen. En ook onze lunch bestaat uit brood, ditmaal voorzien van tomaten, een likje mayonaise en uitzicht op die bergen.

We arriveren halverwege de middag in Kapchagay, een plaats aan een meer ten noorden van Almaty. In de zomer is het een soort Scheveningen, maar alhoewel de temperatuur dankzij de zon zo’n 28 graden bedraagt, is er nu nog niet veel te doen. We checken snel in in een goedkoop maar prima hotelletje, doen boodschappen en gaan wat eten. Al kletsend besluiten we hier een dagje te blijven.

In de ochtend blijkt de nieuwe receptioniste vloeiend Engels te spreken en begonnen te zijn aan een zelfstudie Arabisch. Daarmee kom ik verder dan met het Kazachs of Russisch. Zij nog niet, want “begonnen te zijn” is het sleutelwoord, maar we kunnen wel wat beleefdheden uitwisselen. En dankzij haar Engels krijgen we verder ook alles gecommuniceerd wat we willen.

In de ochtend lopen we wat rond, en in de middag pakken we de fiets om te kijken waarom de mensen uit Almaty dit als vakantiebestemming kiezen. Aan het meer zijn verschillende stranden en het is vergeven van de strandtentjes, maar er wordt nu nog vooral geklust, ter voorbereiding op het seizoen. De receptioniste vond het ook al koud, vanochtend. Wij vonden het met een strakblauwe luchtje en een graad of 27 wel meevallen. Al met al zijn we blij met onze keuze voor een hotel in de stad, daar is tenminste nog wat te beleven.

We sluiten onze laatste dag Kapchagay af met een ijsje bij onze standaard ijskiosk. Tenminste, Wilchard, en dan een maatje kleiner dan normaal. Maar met een dikke vette knipoog krijgt hij alsnog een grote ijshoorn overhandigd. En ik krijg gratis en voor niks de maat die Wilchard had besteld. Weigeren is geen optie. Dat is nog eens een fijne afsluiting.