Op het plateau

De bus naar Ganzi vertrekt pas om half tien, dus we mogen uitslapen. Als we wegrijden zijn we de enige twee passagiers, maar we zijn nog geen 50 meter de poort uit of er stappen twee mannen in, en ietsje verderop moeder en zoon. Uiteindelijk blijken ze allemaal niet tot het eindpunt mee te gaan, dus ofwel ze komen zo onder de belasting uit die we bij ons ticket hebben moeten betalen, ofwel ze kunnen zo voor een gereduceerd tarief mee. Weten gaan we het nooit, want ons Tibetaans is niks beter dan ons Chinees en hun Engels zowaar nog minder.

Het eerste deel van de route gaan we een pas over. Bij iedere yak grijpen we zo’n beetje naar onze camera. Zelfs de chauffeur heeft het door, want hij begint te wijzen wanneer er weer wat staan.

Aan de andere kant van de pas is het gedaan met de weidse uitzichten. We rijden een kloof in waar een rivier doorheen stroomt, en die volgen we zo’n beetje de hele dag. Her en der passeren we een dorpje of klooster.

Na zeven uur hebben we 250 km afgelegd en stappen we uit in Ganzi. We zoeken een hotel in de buurt van het busstation en lopen vervolgens naar een ander hotel aan de rand van het stadje. Ik heb via whatsapp al een tijdje contact met Lucille, die met haar man Alistair (Ali) ook aan het fietsen is. Zij zijn wel vanuit Shangri-la het plateau op gefietst en hebben het vreselijk zwaar gehad. Al kletsend blijkt dat het voor Lucille niet afgelegen en extreem genoeg kan zijn en dat ze dus ook stukken gefietst hebben die ik van zijn levensdagen niet uitgezet zou hebben. Van haar komt de uitspraak ‘het lijkt me geweldig om bij -25 graden over het bevroren Lake Baikal te fietsen’. Dan heb je een idee. Alistair zit ergens tussen ons en Lucille in, dus ze zijn zich aan het bezinnen over de vervolgroute. Die moet iets minder extreem, anders kan het zomaar zijn dat hij het vliegtuig pakt.

We kletsen een hele tijd en spreken af de volgende dag samen te lunchen. Eten doen we die avond bij Aosi Bao: broodje kipburger met friet, een keer iets anders.

Ik slaap uit, Wilchard gaat naar de markt. Ganzi is een monnikenstad. Het stikt er van de winkels met kloosterparafernalia en monnikenkleren, en er zijn afnemers genoeg. Het is allemaal wat lieflijker dan Litang, de ruige nomaden zitten blijkbaar wat zuidelijker.

In de buurt van ons hotel staat een grote chorten waar mensen rondjes omheen lopen. Er is een Chinese cameraploeg aan het filmen. Met drone en figuranten. Één figurant zit op een trapje te kalligraferen, en niets zo mooi als een luchtfoto van een kalligraferende Tibetaan.

Sowieso zijn er in Ganzi meerdere religieuze plekken. Het klooster bewaren we voor morgen, maar de rest kom je vanzelf tegen als je rondloopt.

Aangezien we hebben besloten twee dagen te blijven, doen we lekker rustig aan en drinken we koffie in één van de koffietentjes die Ganzi rijk is. Aardig en communicatief personeel en heerlijke koffie, dus we hebben onze vaste koffieplek gevonden. De middag brengen we grotendeels met Ali en Lucille door. Zij zijn al een dikke week in Ganzi, in afwachting van wat reserveonderdelen en zijn blij dat die die middag bezorgd worden zodat ze weer verder kunnen. Kunnen we ons prima voorstellen: hoe relaxed Ganzi ook is, een week is wel erg lang en je krijgt er geen extra dagen bij op je visum.

Op dag twee lopen we naar het klooster. Ganzi’s ligging is fantastisch mooi, aan alle kanten liggen graslanden en witte bergtoppen. Vanuit het klooster, waar niet veel te doen is, heb je een geweldig uitzicht.

Onze volgende bestemming, Aba, is niet in één dag te bereizen, dus we moeten een tussenstop maken in Ma’erkang. Er gaan geen bussen die kant uit, dus we lopen tegen half zeven ’s ochtends richting shared taxi plaats. Eens kijken hoe dat hier gaat. Erg soepel, blijkt. Binnen vijf minuten is er al iemand bij wie we in kunnen stappen. Wel duurt het nog even eer we vertrekken, want blijkbaar kun je vantevoren contact opnemen en een zitplaats reserveren. Daarmee staat dan ook de vertrektijd vast. Dus eigenlijk hebben we erg veel geluk, want er zijn nog precies twee plekken vrij. Tegen kwart voor acht komen drie passagiers aanlopen, en om acht uur halen we nog twee monniken op. Alle zitplaatsen zijn bezet, en we kunnen vertrekken.

De eerste honderd kilometer hebben we nog weidse uitzichten, voor de rest van de route volgen we weer een rivier. Vanuit een shared taxi is het wat lastiger fotograferen dan vanuit een bus. Een bus heeft spiegelende en niet al te schone ramen, maar je hebt meer dan voldoende ruimte. In de taxi delen we de middenbank met zijn drietjes, en dat geeft voldoende zitplek maar wat minder ruimte om te manoeuvreren. Laten we het er maar op houden dat ik redelijk bijslaap.

Chauffie kent de weg niet zo goed in Ma’erkang en wij al helemaal niet, dus we worden geacht uit te stappen waar de monniken uitstappen. Gelukkig is dat niet bij een klooster buiten het stadje maar redelijk in het centrum, dus we kunnen op zoek naar een hotel. Waar we tot nu toe zonder moeite een overnachtingsplek konden vinden, is dat hier andere koek. Twee uur lopen we door het stadje, en we worden er niet vrolijker op. Het is niet dat er geen hotels zijn, hotels genoeg. Maar geen van de hotels mag buitenlanders herbergen. Overal krijgen we een afwerend gebaar, soms gecombineerd met gegiechel maar vaker met een chagrijnige kop. Dit helpt ons humeur niet echt. We snappen best wel dat ze er niets aan kunnen doen dat we geen kamer bij hun kunnen krijgen, maar enige hulp zou fijn zijn. Gelukkig zijn er twee plekken die wel echt hun best doen.

Bij hotel nummer 15 wil de receptionist wel met ons naar de politie. Ik bewaak de receptie, Wilchard gaat met hem mee. In het enorme politiebureau is de aanwezige beambte niet genegen te helpen. Hij maakt duidelijk dat er papieren ingevuld moeten worden, maar wil of kan die niet aanleveren. En verder helpen, ho maar. De receptionist gaat met Wilchard terug naar zijn hotel en stuurt iemand met hem mee naar een ander hotel. Die is bang hem kwijt te raken, dus houdt onderweg voortdurend zijn hand vast. Helaas heeft ook dat hotel geen vergunning. Maar ze probeerden te helpen, en dat maakt een enorm verschil.

Achter de balie van hotel nummer 18 zit een jongetje van een jaar of 10. Hij wil ons graag aan een kamer helpen, en heeft zelfs een vertaalapp op zijn telefoon. We vrezen dat hij gewoon nog niet weet dat er voor buitenlanders andere regels gelden, maar zijn redelijk wanhopig en zien wel waar we komen. Na een kleine ruzie met zijn vertaalapp, die blijkbaar niet precies doet wat hij wil, krijgen we de gevreesde vraag om een ID-kaart. Als we onze paspoorten pakken, heeft hij geen idee wat hij ermee aanmoet, maar hij maakt er toch maar foto’s van. Een minuut later verschijnt er een volwassene en wordt ons duidelijk gemaakt dat we niet kunnen blijven. Het jongetje weet nog wel te melden dat we bij het Grand Hotel moeten zijn. Terwijl er “I’m sorry” uit zijn vertaalapp klinkt, verlaten we het pand.

Op naar het Grand Hotel dan maar. Hier mogen we inderdaad overnachten, maar we betalen wel dik anderhalf keer ons dagbudget. Ach, we hebben in ieder geval een dak boven ons hoofd, en het hotel is poepiesjiek. Nu maar hopen dat het verder noordelijk niet net zo dramatisch gaat.

Op de derde verdieping is een bruiloft aan de gang. De jetset van Ma’erkang is aanwezig, een gast of 300, allemaal op zijn zondags in traditionele kleding. Wilchard moet toasten op het bruidspaar, maar heeft aan één klein glaasje slokdarmverschroeiend bocht genoeg.

Ook op straat zien we veel klederdracht, maar wel compleet anders dan tot nu toe. Bij een soort theehuis zijn kinderen een spel aan het spelen. Alle handen worden op elkaar gelegd en Wilchard legt die van hem erbovenop. Ze zijn zo geconcentreerd bezig dat het een seconde of vijf duurt eer ze door hebben wat er aan de hand is. Maar zodra dat het geval is wordt er flink gegild en gegiecheld, een beetje zoals een schrikeffect bij een slechte horrorfilm. De omstanders vinden het bijzonder grappig.

Met de hulp van het hotelpersoneel komen we te weten dat de bus naar Aba om 7.40 in de ochtend vertrekt. We hoeven dus niet, voor de zekerheid, al om zes uur op het busstation te staan. Tegen zevenen arriveren we en kopen we twee kaartjes.

Als we de vertrekhal in willen lopen blijkt de securitymevrouw haar werk serieus te nemen. Alle, maar dan ook alle bagage moet door de scanner, en we moeten zelfs een slok van onze fles drinken nemen om aan te tonen dat het niet iets is waarmee we de bus kunnen opblazen. Later zien we dat je ook gewoon via de busuitrit binnen kunt lopen, waarbij je security volledig omzeilt. En natuurlijk stappen ook hier een paar honderd meter na vertrek nog extra passagiers in, terwijl de scanner nog in de vertrekhal staat.

We beginnen de dag in dezelfde kloof als waarin we Ma’erkang binnen reden. Het is grijs en het lijkt alsof het vannacht geregend heeft. Zodra we hoger komen is dat natuurlijk sneeuw.

We klimmen en klimmen. Af en toe is het wat lichter, maar het blijft bewolkt. Opeens gaat het steiler omhoog en klimmen we de vallei uit. In de diepte strekt zich een wit landschap uit.

Aan de andere kant van de pas lijkt het alsof we in een andere wereld zijn beland. Graslanden strekken zich uit zover het oog reikt, yaks zijn overal en de hemel is blauw. Je hoort ons niet klagen.

50 meter na de afslag naar Aba zet de chauffeur de bus stil. Er wordt druk gebeld, hij draait de bus en we vervolgen de weg die we zojuist verlaten hebben. De chauffeur, een soort hulpje die toch ook gewoon passagier lijkt en de monnik op de voorste bank zijn in een enigszins uitgelaten stemming. Ik kijk nog eens op mijn telefoon, maar er lijkt toch echt geen andere weg naar Aba te zijn. De rest van de bus maakt zich echter niet druk, dus ik ook niet. Na een minuut of 10 rijden blijkt onze chauf tot de ramptoeristen van deze wereld te behoren. Of een centje te willen bijverdienen. Er staat een behoorlijke file, iets verderop is een ongeluk gebeurd. Hij rijdt zover door als kan, en daarna in zijn achteruit weer langs de file af. Ergens halverwege staat een andere bus stil, en hier neemt hij een aantal passagiers van over. De logica ontgaat mij, want die mensen moeten duidelijk niet naar Aba, maar vooruit. We draaien, en uiteindelijk heeft dit uitje drie kwartier geduurd.

Bij de afslag slaan we nu weer af, en we gaan meteen omhoog, een pas over. Geen sneeuw, enkel diezelfde graslanden met een blauwe lucht met wolkjes.

Aan de andere kant van de pas zien we weer ontelbaar veel yaks, maar dit keer ook verschillende nederzettinkjes. Als brandstof wordt hier dankbaar gebruik gemaakt van diezelfde yaks, van hun stront worden platte schijven gevormd die in de zon hangen en liggen te drogen.

Hier zien we ook weer de ultra-coole gevoerde jassen met lange mouwen. Op de foto hierboven kun je het al zien. Ze dragen ze meestal met één arm in een mouw en de andere mouw los bungelend, want het is natuurlijk wel lekker warm, maar niet heel handig. In navolging van de lange-mouwenluitjes zien we ook veel mensen hun gewone jas op die manier dragen.

Terwijl we van de bushalte weglopen op zoek naar een hotel stopt er een politiewagen. Een vriendelijke agent wil onze paspoorten zien en daarna mogen we doorlopen. Een hotel vinden is hier geen enkel probleem, al weet de uiterst aardige receptioniste niet zo goed wat ze met onze paspoorten aan moet. We helpen haar maar even.

Het is nog vroeg, dus we lopen nog naar het enorme klooster aan het uiteinde van het dorp. Dit wordt omringd door een enorme overdekte kora met duizenden gebedsmolens. De meeste hebben een handzaam formaat, alhoewel het nog behoorlijk vermoeiend is ze allemaal aan het draaien te krijgen. Om de zoveel tijd staat er een reuzengebedsmolen. Ze zijn altijd onderdeel van de kora, dus meestal wordt er even een korte omweg gemaakt, maar bij een aantal is dat niet echt mogelijk. Daar is de reuzenmolen omringd door voornamelijk vrouwen, deels gezeten op stoeltjes, die hem gezamenlijk draaiend houden en ondertussen lekker kletsen. Een soort heilig koffiekransje, maar dan zonder koffie.

Terwijl we naar het klooster lopen worden we staande gehouden door een man en krijg ik een telefoon onder mijn neus geduwd. Aan de andere kant van de lijn is een Engels-sprekende mevrouw die aankondigt dat ze van de politie zijn en vraagt of we al geregistreerd hebben. We mompelen wat over ons hotel, en de agente verontschuldigt zich voor het ongemak en zegt tot straks.

We vragen ons al af hoe ze ons gevonden hebben, maar weten ook dat we een stuk of vijf politiebureaus zijn gepasseerd op weg naar het klooster, dus zo moeilijk kan het niet zijn. Terug in het hotel staan bij de receptie twee agenten. Ze zijn supervriendelijk, stellen een paar vragen (waar komen we vandaan, waar gaan we heen en waarom zijn we hier) en willen onze paspoorten zien. Allemaal geen enkel probleem. Vervolgens zijn we er getuige van hoe de agente aan de twee receptionistes uitlegt hoe ze ons moeten registreren op een Chinese politiewebsite. Zij vult de gegevens van Wilchard in, één van de receptionistes mag die van mij vastleggen. Dat wordt nog even gecontroleerd, een foutje wordt gecorrigeerd en uitgelegd, en we krijgen onze paspoorten weer terug. Zelden iemand zo geduldig iets uit zien leggen.

Waarom al die politie-aandacht? De Chinese overheid staat niet bekend om de vrijheid die het de niet-Hanchinezen geeft. Eigenlijk ook niet in de vrijheid die het de Han-Chinezen geeft. Uiterlijk lijkt er niet veel aan de hand: mensen mogen hun klederdrachten dragen en dialecten spreken, hier op het Tibetaanse plateau mogen ze zelfs kiezen tussen onderwijs in het Chinees of het Tibetaans. Maar we horen ook dat ze niet vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen. En zo zullen er nog wel meer beperkingen zijn. En dat is nog niks in vergelijking met de Oeigoeren, de bevolkingsgroep in het westen van China die onafhankelijkheid wil, wat China nooit zal toestaan. Als gevolg daarvan worden ze zwaar onderdrukt en zijn er grote werkkampen waar families worden gescheiden, mishandeld en geïndoctrineerd. En ook als je een ‘gewone’ Han-Chinees bent kun je ervan uitgaan dat alles wat je doet wordt vastgelegd en beoordeeld.

De politie-aandacht voor ons zal er dan ook waarschijnlijk voor moeten zorgen dat we inderdaad alleen maar toerist zijn en geen journalist of, erger nog, aanhangers van de free-Tibet beweging, die vooral in Amerika sterk is.

Maar wij zijn inderdaad alleen maar toerist, en ook op dag twee lopen we nog een keer de kora en rond het klooster.

In de middag lopen we naar het busstation om kaartjes naar Langmusi te regelen. Die blijken er niet te zijn, en er is ook geen bus naar Zoige, waar we over zouden kunnen stappen. De taxichauffeurs aan de overkant van het station willen ons wel brengen, maar komen allemaal met prijzen voor privé-taxi’s, en dat willen we niet. De receptioniste wil ons wel helpen, maar komt uiteindelijk met een telefoonnummer dat we kunnen bellen. Nu gaat communiceren al moeilijk als je tegenover elkaar zit, en over de telefoon zie ik het helemaal niet lukken. Bovendien weten we ook nog niet helemaal zeker of we over hebben kunnen brengen wat we willen. We besluiten dus rond zevenen in de ochtend op goed geluk bij de taxi’s rond te vragen.

En geluk hebben we want er rijdt er een tien minuten later naar Zoige en hij heeft nog precies twee plekken vrij. In Zoige stappen we over op de bus, en zo zijn we einde middag in Langmusi, dat uitgestorven lijkt. Nou ja, uitgestorven niet, maar dit is een plek waar ’s zomers veel Chinese toeristen komen, en nu is er nog amper wat open. We gaan zien wat morgen ons brengen zal.

6 thoughts on “Op het plateau”

  1. Wat indrukwekkend verhaal en prachtige en uitgestrekte omgeving! Zo mooi! Dat jullie zo gecontroleerd worden terwijl jullie er zo vriendelijk uitzien dan merk je dat je bij mensen bent met andere normen, maar jullie komen er toch weer goed uit!! Weer veel plezier en geniet !!
    Gr. Tien.

  2. Waar zouden die Chinezen toch bang voor zijn, dat je in zo veel hotels niet welkom bent? Hoewel het maar goed is dat ze geen Nederlandse blogs lezen 😉 Prachtig verhaal en dito foto’s.. Respect.voor jullie doorzettingsvermogen!

  3. Wat een prachtig verhaal weer! en zo mooi geschreven! Veel reisplezier verder en geniet…

  4. Wat een spannende en bijzondere tocht weer. Wat is er toch een diversiteit aan mensen in de wereld ! Ook hier weer prachtige portretten gemaakt door Wilcherd ( neem ik aan) Geniet verder van jullie avontuur door China. Dan kan ik ook meegenieten !

  5. Niet alleen de agenten zijn geduldig maar jullie ook.
    Weer geweldig mooie foto`s en jou verhaal er bij zo reis je een beetje mee.

  6. hoi hoi,

    ik heb geprobeert om de dorpen/steden te vinden op g maps, maar dat lukt niet . krijg wel de regio te zien maar de kaart is maximaal wit met een enkele weg. zonder steden
    begrijp dat jullie ten westen van Chengdu zitten (flink eind). hier wordt je nmm amper geconfronteerd met buitenlandse toeristen🤣

    prachtige omgeving. mooie kloosters en fraaie mensen .veel plezier en geniet ervan!!!!!!😎

Comments are closed.