Definitief de bergen in

Voor ik het weer vergeet: hier kun je de cijfers voor Thailand vinden. Let op, hij staat er twee keer in, maar met een andere datum (net als Nederland trouwens). Je moet de bovenste hebben voor deze reis. En om te kijken wat er veranderd is sinds de vorige keer, kun je dus de twee keer Thailand vergelijken.

In ons hotel in Mae Sot zit ook een Duitse fietser, Uwe, die vier weken door Thailand fietst. We kletsen gezellig tijdens het ontbijt en spreken af ’s avonds samen wat te gaan eten.

Om de hoek van ons hotel zit een wat. Een Thaise tempel, met klooster dit keer. Dat laatste weten we zeker omdat, als we er zijn, de gong gaat. Etenstijd! De les die naast de tempel gegeven wordt stroomt leeg, en iedereen haast zich naar de eetzaal. Hier over de grens zijn de mantels van de monniken niet langer bordeauxrood, maar oranje.

We lopen het stadje in, op weg naar de markt. Dit blijkt een combinatie van een Thaise en Burmese markt, en leuk om overheen te lopen. We zien de bekende thanaka, maar ook wat insecten, padden en schildpadden, plus heel veel groenten en fruit. Alles maar dan ook alles (nou ja, bijna alles) wat valt in de categorie gedroogd, groente, fruit of dingetjes om je eten mee op smaak te brengen, is ingepakt in plastic. Niet normaal.

Het is bloedheet hier, dus we breien er voor ons doen redelijk snel een eind aan en trekken ons met wat fruit terug op onze kamer. De padden slaan we over. We besluiten een extra dagje in Mae Sot te blijven.

Er is hier net over de grens een enorm grote Birmese gemeenschap. Een deel van deze Birmezen leeft en werkt hier, maar de overgrote meerderheid is vluchteling en mag blijven maar weet twee dingen zeker: terug naar Myanmar mag niet en een leven in Thailand opbouwen ook niet. Ze mogen hier niet werken en geen grond bezitten. Kinderen kunnen wel naar school, maar de Thaise overheid vermindert de vluchtelingenfinanciering langzaam in de hoop dat ze terug gaan naar Myanmar. Wat dus niet kan. Een kilometer of 60 ten noorden van Mae Sot ligt het Mae La vluchtelingenkamp, met zo’n 37.000 inwoners. Het werd opgericht in 1984(!), en bestaat inmiddels uit hutjes. Het kamp wordt gerund door verschillende niet-Thaise NGO’s en er zijn ook wat kleinschaliger initiatieven, en die vrijwilligers willen soms wel eens wat anders eten dan Thais of Birmees.

Dat zorgt voor een redelijk aanbod restaurantjes met ook westerse producten. Aangezien we net een dagje in Thailand zijn en ook Uwes tijd hier beperkt is, gaan we ’s avonds op zoek naar een plekje waar we Thais kunnen eten. We bestellen wat op de avondmarkt, maar alle drie de gerechten vallen tegen. Niet slecht, maar smakeloos. En dat is knap voor Thailand. De porties zijn ook niet al te groot, dus Uwe en ik kopen nog een gebbq’ed hapje. Wilchard proeft van dat van mij, en dat had hij beter niet kunnen doen.

Beiden worden we voor het eerst op onze reis ziek. Gelukkig is het net zo snel weer over als dat het begon, maar de extra dag in Mae Sot brengen we iets anders door dan gepland. Daar komt nog bij dat ik een allergische reactie op het een of ander krijg, en mijn lichaam alle energie nodig heeft om die te verwerken. Ik slaap bijna de hele dag. ‘Gelukkig’ ken ik het, want ook in Nederland zat ik zo één keer per jaar onder de jeukende rode bultjes, maar fijn is het niet.

We plakken er nog een extra rustdag in Mae Sot achteraan, vooral zodat ik weer wat energie op kan doen voordat we richting de bergen gaan. Helaas blijkt dat niet voldoende. De volgende dag geef ik na een paar kilometer aan dat het hem niet gaat worden. In plaats van noordwaarts rijden we naar het busstation. We hebben al een plan B achter de hand, dat ons via een omweg terug op de bergroute brengt en twee voordelen heeft: we hebben ietsje meer aanloop tot we in de bergen zijn zodat ik wat meer op krachten kan komen en mijn vertrouwen in mijn lichaam weer terug is, en we missen de allersteilste klim. Dat plan vereist wel dat we in Tak geraken, een slordige 90 km verderop en niet bepaald vlak. Vandaar het busstation.

Er blijkt echter geen bus naar Tak te zijn. Wel naar verweg, Bangkok en zo, maar die stoppen in Thailand niet om passagiers uit te laten op een andere plek dan de eindbestemming. Jammer, want in het ruim was genoeg plek voor onze fietsen. Er is wel openbaar vervoer naar Tak, maar dat is zo’n vrachtwagentje. Niet onze eerste keuze, dus we proberen een lift te vinden. 20 minuten later staan we langs de kant van de weg naar Tak, en nog eens 15 minuten later liggen onze fietsen achterin een pick-up en zitten wij voorin. Waar meteen helder wordt dat een gemeenschappelijke taal, zoals met Ahmed in Egypte, zijn voordelen heeft. Al snel weet de chauffeur dat we naar China willen en uit Nederland komen, en wij dat hij ons een stukje vòòr Tak afzet en dat we onze paspoorten bij de hand moeten hebben voor de politiecontroles.

Al rijdend concludeer ik dat ik dit, zoals verwacht, nooit zelf had kunnen rijden. Een stukje voor Tak klimmen we weer op onze fietsen, voor de laatste 10 kilometers. Bergaf, dus goed te doen. In Tak waren we anderhalf jaar geleden ook, en we rijden naar hetzelfde hotel, waar we dezelfde kamer kiezen. De eigenaren en hun goed Engels sprekende dochter zijn nog net zo aardig.

Vanuit Tak rijden we noordwaarts, over een rustige, vlakke vier-cijferweg. Het worden ofwel twee korte ofwel één lange (120 km) dag. Zo’n beetje halverwege kunnen we namelijk beslissen of we een hotelletje zoeken of nog verder rijden. Het beslispunt zit al om 10 uur, en ik voel me prima. We besluiten dus om door te rijden. En dan komt tegen twaalf uur zo’n fijne Thaise fietserslunch goed van pas. De noedelsoep smaakt uitstekend, en ik kijk zelfs uit naar de hamburgertent die ik op zowel googlemaps als maps.me heb zien zitten op ons eindpunt. In Thais eten heb ik nog geen trek, hoe lekker het normaal gesproken ook is.

Na de 120 km vinden we weer een prima resort. Dat klinkt luxe en duur, maar hier in Thailand betekent dat dat er huisjes zijn. Ideaal voor fietsers, want begane grond. De vrouw achter de receptie heeft twee kinderen, waarvan de jongste meteen zijn loopfiets wil laten zien. De oudste is een jaar of zeven en heeft ook een fiets, die ietsje later rondjes rijdt op de parkeerplaats. Beiden spreken tot onze verbazing Engels, en moeders geeft aan dat de oudste ook Chinees kent. Ons Ni Hao levert grote verbazing op. How do you know that?!

Snel douchen en op naar de Chester, de hamburgertent. Die zou bij het tankstation en de 7-eleven moeten zitten, maar we zien niks dat lijkt op een restaurant met frietjes en hamburgers. De cassiѐre bij de 7-eleven helpt ons uit de droom. “Closed. No Chester, no KFC. First Chester in Lampang.” Nu ligt dat 90 km verderop, dus die slaan we over. In plaats daarvan wordt het een opwarmmaaltijd van de 7-eleven. Italiaanse pasta, of iets wat daarvoor moet doorgaan. Maar onze buikjes zijn gevuld, en daar gaat het om.

De volgende ochtend voel ik me een ander mens. Of eigenlijk, gewoon weer de oude. Ik heb zelfs weer zin in een tosti van onze favoriete Thaise supermarkt. Samen met een flesje melk is dat mijn oude vertrouwde ontbijt in Thailand, als ons hotel geen ontbijt heeft of alleen een Thais ontbijt (rijstsoep) en droog geroosterd witbrood serveert.

Energiek rijden we Thoen uit en slaan de 106 op, die we de hele dag zullen volgen. De eerste 10 km zijn nog vlak, daarna mogen we geleidelijk door het groen omhoog. We hebben mooie uitzichten tussen de bomen en struiken door en er rijdt amper verkeer. Overal horen we vogeltjes, af en toe zien we iets uit de categorie knaagdieren de weg over schieten. We stijgen een meter of 400 in 15 km, lekker geleidelijk dus. Dan weer deels naar beneden en via een breder geworden 106 naar Li.

Het is vandaag met 54 km een kort dagje, dus we nemen al voor 12 uur een welverdiende douche. Het is er namelijk bepaald niet koeler op geworden de laatste dagen, alhoewel we er met rijwind beduidend minder last van hebben dan wanneer we in een stadje lopen. We vervolgen de dag met een noedelsoepje bij de buren, die tot onze verrassing een Engelse vertaling van hun menu hebben, een wandeling over de markt en een koffie in een van de vele koffietentjes met goede koffie die dit land rijk is. Een kop koffie is bijna net zo duur als een maaltijd, een euro, maar dat is meer omdat het eten hier niet duur hoeft te zijn. Al met al besteden we hier niet al te veel tijd aan: de markt van Li is niet al te groot en in de middag zijn er ook al veel voedingswaren weg. Daarbij is het zondag, en alhoewel niet alle Thai zich verplicht voelen hun winkel dan dicht te houden, is lang niet alles open.

We volgen de 106 nog wat verder en slaan dan weer een vier-cijferweg in. Dit soort wegen is onze favoriet in Thailand: goed asfalt en weinig verkeer. En ook vandaag stelt hij niet teleur, alhoewel het asfalt her en der herinnert aan Myanmar. We zitten nog niet in de bergen, maar zien ze links en rechts van ons langzaam aan de horizon verschijnen. Vanaf morgen is het definitief gedaan met het relatief platte.

Bij de lunch zitten in mijn noedelsoep, in plaats van een paar stukjes char siu (Chinees gebbq’ed varkensvlees) of wat kip- dan wel visballetjes, een paar stukjes van misschien wel het lekkerste stoofvlees dat ik ooit gehad heb.

We arriveren in Hot. Dat zou gisteren toepasselijker zijn geweest, want het lijkt vandaag een stukje koeler. Een blik op mijn weerapp bevestigt dat. Tegenover de 39 graden van gistermiddag staan er vandaag een schamele 32.

Als we ’s ochtends wegrijden, twijfel ik zelfs even of ik een jasje aan moet doen, maar dat duurt niet lang. We volgen een kabbelend riviertje. Het loopt hier tegen het einde van het droge seizoen, en dat betekent dat de blaadjes vallen. Wat nog aan de boom zit is veelal bruinig van tint en doet het goed in het vroege ochtendlicht. Zodra we, na een kleine 20 km, van het water wegdraaien gaat het meteen gedurende zo’n 18 km omhoog.

De klim, die over goed wegdek gaat, eindigt 800 meter hoger bij een dennenbos. We zijn vandaag de zogenaamde Mae Hong Son loop opgedraaid, die ons zo’n 500 km verderop in Chiang Mai deponeert. Rechtstreeks was 88 km geweest, maar dan zouden we de steile hellingen waar de Mae Hong Son loop om bekend staat hebben moeten missen, en dat zou natuurlijk jammer zijn. Volgens de boekjes stijg (en daal) je op de loop zo’n 11.000 meter. Grofweg 1 1/4 maal de Mount Everest op en neer, die zijn top bereikt op 8850 meter, en dik tien keer de klim van de Alpe d’Huez, die 1071 meter hoogte kent. Daar missen we er zeg 300 van die op de relatief vlakke 88 km zitten, maar het restant gaan we voor de kiezen krijgen. Tussen Mae Hong Son en net voor Chiang Mai alleen al zitten volgens de lonely planet 1864 bochten om de steilte enigszins behapbaar te maken. We gaan het meemaken, maar ze niet tellen. Vandaag is in ieder geval een mooie opwarmer en met gemiddeld 5% niet spannend.

Dennenbossen lijken er niet veel te zijn in Thailand, afgaand op de objecten die tussen de bomen gerangschikt staan en gebruikt kunnen worden om je selfies op te leuken. Wilchard wordt meteen geclaimd door een groepje blinden. Of beter gezegd, door hun begeleiders, want niets zo leuk als een foto met een levend selfie-object. En natuurlijk mag Wilchard na afloop ook wat foto’s maken.

Een paar kilometer verderop bereiken we het eindpunt van vandaag alweer. Spullen en fietsen op de kamer en een noedelsoepje verder zit het actieve deel van onze dag er alweer op. We hebben de 500 km opgesplitst in relatief korte stukjes. Enerzijds vanwege de locaties van de overnachtingsplekken, anderzijds omdat het niet zoveel zin heeft om te haasten.

In de ochtend kun je goed merken dat we zo’n 800 meter hoger zitten. Het is zowaar lekker fris en als we koffie zitten te drinken bij een winkeltje (we krijgen er van de eigenaar een bakje aardbeien bij), kun je onze adem in de lucht zien hangen. Vandaag mogen we die 800 meter ook weer omlaag, maar eerst gaat het nog een tijdje flink op en neer. Net voor het einde van onze langste klim van vandaag komt ons een groepje westerse fietsers tegemoet. Met volgwagen, superlichte fietsjes en zonder bagage, want die kan mooi in die volgwagen.

En dan volgt, als beloning, een afdaling van 20 km. Waar het asfalt vandaag van wisselende kwaliteit was, is het nu biljartlakenglad. Binnen 25 minuten zitten we dan ook aan onze eerste tosti van vandaag.

Na in te hebben gecheckt en gedoucht, gaan we op zoek naar een wasmachine. We kunnen ook een handwasje doen, maar hier in Thailand heb je her en der superhandige wasmachines waar je voor weinig je was in kunt stoppen. Beetje wasmiddel erbij en klaar terwijl je wacht. Tot 8 kilo, die we bij lange na niet halen, is de schade 20 baht, zo’n 55 cent.

Mae Sariang, waar we nu zitten, is maar een klein plaatsje maar wel één van de stops op de eerder genoemde Mae Hong Son loop, die meer op de motor en scooter dan op de fiets afgelegd wordt. Terwijl we ontzettend lekker zitten te eten komt de ene na de andere motormuis voorbij. Brommers zien we weinig, veelal mannen van middelbare leeftijd op motoren.

Eerder op de dag zijn we toevallig langs een reisbureautje gelopen waar ze een trekking aanboden die ons wel wat leek. Tenminste, na wat aanpassingen, want een waterval en hot spring zijn niet zo aan ons besteed. We zijn de enige deelnemers, en kunnen de wateractiviteiten gemakkelijk vervangen door een paar extra dorpjes. We besluiten meteen maar een extra dag in Mae Sariang te blijven, zodat we ook nog tijd hebben voor de markt, wat tempels en gewoon lekker niks doen.

Maar eerst de trekking. Om half negen de volgende ochtend stappen we in een pick-up. Ik mag voorin, Wilchard is vrijwilliger voor de laadbak. We rijden over het gladde asfalt waarop we gisteren naar beneden zijn gefietst naar boven en slaan daar een zijweggetje in. Onze gids rijdt als een natte krant en we doen er een stuk langer over dan gisteren. Dat is niet echt heel erg, want zo vroeg op de ochtend is het in de laadbak van een pick-up nog best wel fris, laat Wilchard weten.

Een kilometer of twee verderop stappen we uit en lopen we een breed pad op. Eenzelfde soort pad dat ik op de foto’s in het reisbureau heb gezien, waar ze me verzekerden dat de route niet heel steil is.

Dat klopt ook wel, maar helaas verandert het pad verderop in een smal paadje door het bos, op een niet helemaal vlakke helling. Nawey, onze gids, maakt met zijn machete nog een wandelstok voor me en Wilchard houdt mijn hand vast, maar het mag niet baten. Ten eerste komen we in dit tempo nooit voor het donker in het eerste dorp, en ik vind het gewoon verschrikkelijk. Ik ben constant bang om onderuit te gaan en naar beneden te glijden, terwijl mijn ogen en hoofd me vertellen dat het echt geen spannend of gevaarlijk pad is. We besluiten om te draaien en als we een meter of 100 verder weer terug op het pad zijn, bedenken we met zijn drieën een plan B. We lopen terug naar de auto en gaan gemotoriseerd verder, naar twee andere dorpjes. Gelukkig hebben we een geweldig leuke dag. In de dorpjes hebben we ruim de tijd en Nawey lijkt bijna iedereen te kennen. Dus terwijl hij lekker bijkletst met familie, vrienden en kennissen, kijk ik lekker om me heen en legt Wilchard onze belevenissen vast op de gevoelige plaat.

De eerste ontmoeting vind ik meteen ook de leukste. We drinken meegebrachte koffie bij een tante van Nawey, wier levensverhaal eng veel lijkt op dat van mijn moeder. Meteen een goed moment om foto’s van mam en Huub, mijn vader en onze kinderen, Rolf en Sofie, te laten zien. Die laatste drie staan er natuurlijk jong en in de bloei van hun leven op, en worden door iedereen ontzettend knap gevonden.

De bewoners van de dorpen hier behoren allemaal tot de Karen-stam en komen oorspronkelijk uit Myanmar. Zo ook Nawey. Ze wonen al een jaar of vijftig in het dorp en voor de vluchtelingen uit die tijd en in dit gebied was landbezit en werk geen probleem. Ze leiden dan ook een leven zoals veel bergvolkeren. Ze dragen nog deels traditionele kleding, zeker de ouderen, en wonen in houten huizen op palen. Ze hebben hier in Thailand wel elektriciteit en stromend water, maar komen het dorp eigenlijk alleen maar uit als ze naar het gemeentehuis of het ziekenhuis moeten. Vol nostalgie hebben ze het over een jaar of 20 geleden, toen ze nog olifanten hadden die het werk op het veld gemakkelijker maakten. Inmiddels zijn de meeste zo niet alle olifanten die Thailand rijk is werkzaam in de toeristenindustrie.

Na de koffie lopen we met Nawey nog wat door het dorp. Rondom de huizen lopen varkens en varkentjes, kippen, hanen en kuikentjes.

We mogen binnen kijken bij een huis waar drie vrouwen aan het handwerken zijn, en bij een gezin waarvan de kinderen ons maar wat eng vinden. Dat is sowieso de tendens vandaag: veel vrouwen die aan het handwerken zijn, en kinderen onder de zes rennen in eerste instantie hard weg als ze ons zien om zich achter moeders te verbergen. En dan zijn dit nog dorpen waar een weg naartoe leidt, de dorpjes die we oorspronkelijk zouden bezoeken zijn alleen te voet bereikbaar. Mocht je ooit in hetzelfde dorp komen: dat scheel kijken en knipogen hebben wij de kinderen aangeleerd.

Tussen het eerste en tweede dorpje is het tijd voor lunch. In een hutje langs de kant van de weg kunnen we in de schaduw zitten. Tijdens het rijstseizoen eten, rusten en overnachten de boeren hier, zodat ze geen tijd kwijt zijn met de wandeling tussen dorp en veld. Nu is er niemand. We krijgen ieder een zakje rijst en wat bladeren doen dienst als opdienschaal. Hierop komen komkommer, kleine aubergine, gebakken kip, varkensvlees, een pittige vispasta en een gemberdip. De vispasta laten we aan ons voorbij gaan, verder gaat alles op. En met die gemberdip, net pittig genoeg maar niet tѐ, maak je alles lekker.

Terwijl we het pad weer omhoog rijden naar dorpje twee, passeren we drie geluksvogels. Oma en haar twee kleindochters hebben koffiebessen geplukt en nu kunnen ze mooi meerijden. Dat scheelt toch weer een zak van een kilo of 15 naar boven sjouwen.

Dorpje twee is wat rijker dan dorpje één. Niet iedereen, maar er staan wel wat huizen gemaakt van steen. Hier blijken wat vluchtelingen te hebben gewoond die in Europa asiel hebben gekregen, en die braaf geld naar familie sturen. In de eenvoudigere huizen die wij bezoeken zit steevast een oude vrouw garen van een klos naar een bol te transporteren. Weefgetouwen waarmee tassen en kleding worden gemaakt worden steevast bediend door een jongere generatie. Deze zijn trouwens niet bedoeld voor de verkoop, maar gewoon voor eigen gebruik.

We sluiten de dag net buiten Mae Sariang af bij een tempel met een enorme zittende boeddha. En zo zijn we in totaal toch een uur of negen leuk onderweg geweest.

De extra dag doen we eigenlijk niet heel veel. Wilchard loopt ’s ochtends alvast een rondje over de markt terwijl ik uitslaap, en we drinken koffie, doen een noedelsoep voor lunch en een groene kipcurry en een chicken sweet en sour voor het avondeten en maken tussendoor een grote beker ijs soldaat. De rest van de dag profiteren we van de goede wifi-verbinding om te backuppen en wat probleempjes met de site te verhelpen.

8 thoughts on “Definitief de bergen in”

  1. Ik ben weer bij en heb een uur zitten genieten van Myamar en Thailand. Wat groen en wat mooi. De fotos weer geweldig en de verhalen zodanog dat ik het allemaal voor me zie. Wat een afwisselende reis is dit! Enjoy

  2. Probeer eens bij 7/11 de sojamelk, zeker als deze nog ijskoud is en ze hebben er volkorenkoekjes met noten. Ze zijn per 8 verpakt en kosten 30 Bath. overheerlijk…

    1. Dank voor de tips! Ik houd het nu nog even op gewone melk, die kan ik over een mandje waarschijnlijk vergeten en sojamelk kan dan denk ik nog wel. Maar die koekjes zal ik eens opzoeken morgen…

  3. Oh,dat fietsen van jullie brengt ons veel leesplezier.Fijn dat je niet te lang ziek was Wendy.Hier hadden we een paar mooie lentedagen en kon ik ook weer ong.25km fietsen,zo blij.Groetjes

  4. Mooi verhaal! Heerlijk dat je weer fit bent. Weet je inmiddels al waar je allergisch voor bent?? Waar jij bang was moet het toch wel gevaarlijk geweest zijn, want je kunt toch wel wat hebben!! En dan die foto’s weer! Ik heb weer volop genoten!,

  5. So many beautiful emotions and faces! Thanks, Wilchard and Wendy, for sharing your experience through the lenses and the words! Kudos!

Comments are closed.